Research

Articles

In Japan is de oorlog voorbij

12 Oct 2005 - 09:41
De verkiezingsoverwinning van de flamboyante Japanse premier Koizumi heeft, behalve de privatisering van de posterijen, ook de weg geplaveid voor herziening van de grondwet uit 1947. Met het aantreden van Koizumi als premier in 2001 kreeg Japan voor het eerst een politiek leider van internationale allure. Hij streeft ernaar dat Japan weer als een 'normaal' land wordt erkend en dat ook als militaire macht een rol in de internationale politiek kan spelen.

Een belangrijk obstakel is artikel 9 van de grondwet die de Amerikanen na hun overwinning op Japan na de Tweede Wereldoorlog hebben opgelegd. 'Het Japanse volk ziet voor eeuwig af van oorlog als soeverein recht van de natie en de dreiging of het gebruik van geweld als middel om internationale conflicten te beslechten', zo luidt een passage in de constitutie.

Toch beschikt Japan over een leger, dat alleen niet zo mag heten, maar wordt aangeduid als 'Zelfverdedigingsmacht'. Met bijna 240 duizend militairen, 150 schepen, 460 vliegtuigen en een jaarlijkse begroting van bijna 43 miljard dollar (het vierde defensiebudget in de wereld) beschikt Japan over een substantiele krijgsmacht.

Vooral het verbod op de uitoefening van het recht van collectieve zelfverdediging beperkt de mogelijkheden militairen in te zetten. Dit recht verplicht Japan een bondgenoot te helpen als die wordt aangevallen. De Japanse regering meent dat de uitoefening van dit recht het minimum aan geweld dat noodzakelijk is voor zelfverdediging zou overschrijden en dus in strijd is met de grondwet.

Toch zijn na het einde van de Koude Oorlog de mogelijkheden om de Japanse strijdkrachten ook buiten Japan in te zetten geleidelijk aan verruimd. Tijdens de Golfoorlog van 1991 tegen Irak beperkte Japan zich nog tot financiele steun: een cheque van dertien miljard dollar. Mede als gevolg van de internationale kritiek op deze 'cheque-boek' diplomatie, nam het parlement in 1992 een wet aan die het de Zelfverdedigingsmacht mogelijk maakt deel te nemen aan het uitvoeren van niet-gevechtstaken in VN-verband, zoals medisch en vluchtelingenhulp, toezicht op verkiezingen en politiebijstand. Op basis van deze wet nam Japan in 1992-1993 deel aan de VN-vredesoperatie in Cambodja en in 1993 aan de vredesoperatie in Mozambique.

Na de terreuraanslagen tegen de Verenigde Staten in september 2001 keurde het Japanse parlement een antiterrorismewet goed. Op basis daarvan stuurde Japan twee oorlogsbodems en een bevoorradingsschip naar de Indische Oceaan als logistieke ondersteuning van de Verenigde Staten. Hiermee werd het begrip zelfverdediging verder opgerekt.

Tevens maakte pemier Koizumi van de gelegenheid gebruik goedkeuring te krijgen voor onderzoek naar en de ontwikkeling van een raketschild in samenwerking met de Verenigde Staten. Koizumi was ook een van de eerste buitenlandse politieke leiders die in 2003 zijn volledige steun gaf aan de Amerikaanse invasie in Irak. Ondanks protest van de bevolking gaf het parlement hem toestemming landstrijdkrachten naar Irak te zenden voor humanitaire hulp en wederopbouwprojecten.

De nieuwe defensienota die in december uitkwam, noemt voor het eerst China en Noord-Korea als areas of concern (gebieden van zorg). De onthullingen over het Noord-Koreaanse nucleair programma, begin jaren negentig, het testen van de Taepo-Dong-raket die in augustus 1998 over Japan vloog en de erkenning door president Kim Jong-Il in 2003 dat Noord-Korea een aantal Japanners had gekidnapt, hebben de Japanse kijk op dit buurland in negatieve zin beinvloed.

Japan beschouwt China echter als een grotere potentiele dreiging. Tokio maakt zich vooral zorgen over de recente verhogingen van het Chinese defensiebudget, de aanschaf van geavanceerde gevechtsvliegtuigen en marineschepen van Rusland en de uitbreiding van het raketarsenaal. Bovendien kunnen de onlangs aangeschafte onderzeeboten uit de Kiloklasse de belangrijke maritieme handelsroutes afsluiten, die cruciaal zijn voor het economisch overleven van Japan.

De relaties tussen China en Japan zijn sinds 2001 verder onder druk komen te staan door bezoeken van premier Koizumi aan de tempel in Yasukuni, waar onder meer de zielen van veertien oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog worden geëerd. Daarnaast leidde de herziening van Japanse geschiedenisboeken dit voorjaar tot felle anti-Japan-demonstraties in China. Hoewel historici aannemen dat bij de verovering van de Chinese stad Nangking in 1937 Japanse troepen driehonderdduizend burgers hebben gedood en tienduizenden Chinese vrouwen hebben verkracht, spreken de Japanse geschiedenisboeken eufemistisch over 'een groot aantal Chinezen' die zijn gedood.

Als gevolg van deze veiligheidsanalyse zal de Japanse Zelfverdedigingsmacht in navolging van westerse landen in een 'multifunctionele' krijgsmacht veranderen. De strijdkrachten zullen worden gestroomlijnd door de operationele commando's te centraliseren en de inlichtingen- en verbindingsmiddelen te moderniseren. Bovendien zal een snel inzetbare strijdmacht worden opgericht voor de inzet tegen nieuwe dreigingen, zoals het terrorisme.

Inmiddels heeft het taboe dat op grondwetswijzigingen rust de laatste jaren aan kracht ingeboet. In een opiniepeiling dit voorjaar verklaarde 61 procent van de Japanse bevolking zich voorstander van wijziging van de grondwet. Met de verkiezingszege van Kiozumi is te verwachten dat voorstellen voor een grondwetswijziging dit najaar nog het parlement zullen bereiken. In plaats van in reactie op conflicten de grondwet steeds ruimer te interpreteren, is het dan ook tijd de grondwet daadwerkelijk te wijzigen, inclusief de mogelijkheid van collectieve zelfverdediging. Pas dan kan Japan zich weer beschouwen als een 'normaal' lid van de internationale gemeenschap.