Krijgsmacht of Vredesmacht : Keuzen voor de Nederlandse defensie in de 21e eeuw
In deze Clingendael-studie leveren Dr. A. van Staden, Dr. R. de Wijk, Mr. Drs. C. Homan en Drs. D. Zandee uitvoerig commentaar op de Hoofdlijnennotitie voor de Defensienota 2000, die Minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen, Minister van Defensie De Grave en Staatssecretaris van Defensie Van Hoof in januari hebben geopenbaard. De auteurs ondersteunen de verschuiving van mobilisabele naar parate eenheden in de Nederlandse krijgsmacht, maar menen dat deze lijn niet consequent is doorgetrokken. Met name de Koninklijke landmacht blijft onvoldoende in staat om deel te nemen aan operaties buiten het NAVO-verdragsgebied. De studie biedt een model voor een volledig parate landmacht.
De auteurs pleiten ook voor een direct verband tussen de buitenlands- en veiligheidspolitieke ambities van Nederland en de structuur en oriëntatie van de krijgsmacht. Zij reiken hiervoor twee opties aan:
- in de eerste optie kiest Nederland voor een krijgsmacht die ongeschikt is voor oorlog maar zeer geschikt voor vredesoperaties; ons land sluit zich aan bij die naties die zich eerder hebben toegelegd op deelname aan vredesoperaties;
- in de tweede optie kiest Nederland voor een expeditionaire krijgsmacht die in staat is met de grote bondgenoten deel te nemen aan internationale militaire interventies ter bescherming van vitale belangen.