Research

Security and Defence

Articles

Meer geld voor defensie helpt niet echt

15 Mar 2006 - 00:00

Meer geld voor defensie is niet het probate middel tegen onconventionele aanvallen. Er moet op het terrein van veiligheid een verschuiving totstandgebracht worden van militaire technologie naar een ruimer gebruik van politieke en diplomatieke midden, oordelen Kees Homan en Bert Kreemers.

Achter de rouw over de vernietigende aanval wordt nu gezocht naar een verklaring voor de bressen die zijn geslagen in 'Fortress America'. Met de Golfoorlog, nu tien jaar geleden, als scharnierpunt hadden de VS zich de schijnbaar onaantastbare positie van enige supermogendheid verworven. Om die te tarten hebben vijandige staten en groeperingen nu de les getrokken dat indirecte of asymmetrische acties een betere strijdmethode zijn.

Voor een ander deel is de verklaring te vinden in de invloed van informatietechnologie en globalisering op de tanende macht van staten en andere grote hiërarchische organisaties. De aanzienlijke en nog toenemende kwetsbaarheid van de Westerse samenleving vergroot de kansen op verstoring door kleine groeperingen van de van mobiliteit en informatie afhankelijke wereldwijde politiek-militaire, economische en financiële structuren, die voor onze samenleving onmisbaar zijn.

Ook dat opent de weg naar 'asymmetrische oorlogvoering' door kleine groepen terroristen en vijandige groeperingen en landen. Deze vorm van oorlogvoering gaat tot ver in de geschiedenis terug. Bij asymmetrische oorlogvoering ontwijkt de aanvaller de tegenstander op zijn sterke punten en probeert hij de zwakke kanten uit te buiten. De Palestijnse zelfmoordcommando's die sinds twintig jaar in Israël dood en verderf zaaien zijn een moderne voortzetting van deze aloude tactiek. De verwoestende aanslag op Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983 betekende de eerste grootschalige confrontatie voor de VS met deze vorm van strijd. Machteloos moest president Reagan een einde maken aan de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Libanon.

Zelfs met een militaire overmacht werkt de begrijpelijke roep om vergelding alleen maar contraproductief. Naast een technologische asymmetrie is immers sprake van een culturele asymmetrie. De Westerse cultuur wordt getekend door waarden als verdraagzaamheid, respect voor mensenrechten en kernbegrippen als democratie en scheiding van kerk en staat, waaraan in de rest van de wereld niet een even grote waarde wordt toegekend. Vergeldingsacties hebben daarom vaak een averechts effect en creëren nieuwe martelaren.

In de Amerikaanse discussie over de wenselijkheid en noodzaak van uitgebreide vormen van verdediging tegen ballistische raketten is het gevaar van asymmetrische dreigingen onderbelicht en wordt te veel vertrouwd op technologische antwoorden. Waarschuwingen dat de VS in toenemende mate kwetsbaar zijn en dat de eigen militaire superioriteit geen bescherming kan bieden, zijn te veel in de wind geslagen. Om in New York en Washington dood en verderf te zaaien zijn geen massavernietigingswapens nodig. Op stapel staande kostbare megaprojecten, zoals het antiraketschild, halen hiertegen niets uit.

Hoe moeten de VS zich weren tegen deze asymmetrische dreigingen? 'Onconventionele' aanvallen zijn moeilijk te voorkomen en vereisen belangrijke veranderingen in de wijze van benadering van de veiligheid. Daarvoor is een uitgebreid en doeltreffend inlichtingenapparaat nodig. Binnenlandse spionage is echter uiterst controversieel en verdraagt zich moeilijk met in de Amerikaanse grondwet vastgelegde waarborgen. Een rigoureuze aanpak zal dan ook snel stranden op de nauwelijks op te lossen spanning tussen het recht op privacy en de nu verder stijgende behoefte aan bescherming.

Het zal grote moeite kosten de reflex van een greep naar het immense arsenaal van de Amerikaanse strijdkrachten te onderdrukken. Een langs een breed front te ontwikkelen reeks militaire, politieke en juridische maatregelen, zoals minister Colin Powell gisteren aankondigde, wijst op een andere en betere aanpak. Een langdurige strijd tegen de zich achter deze gruweldaden verschuilende groeperingen is verstandiger dan een snel, opvallend, puur militair antwoord.

De effectuering van artikel 5 van het NAVO-verdrag moet militair gezien niet worden overdreven. Artikel 5 vormt het hart van de lotsverbondenheid tussen de lidstaten van de NAVO, maar houdt geen automatische bijstandsverplichting in. De afzonderlijke lidstaten moeten zelf overgaan tot het treffen van maatregelen, om hun belaagde bondgenoot bij te staan. Los van de beperkte toegevoegde waarde van de militaire vermogens van de Europese bondgenoten is de inschakeling van dit artikel vooral van politieke betekenis.

Van Londen tot Moskou wordt beseft dat de bestrijding van deze terroristische uitwassen een algemeen belang dient. De kracht van de Amerikaanse democratie is opgewassen tegen de aanslagen op New York en Washington, maar de nog teer gewortelde jonge democratieën, zoals in Rusland, kunnen asymmetrische oorlogvoering niet weerstaan. Dat besef schept mogelijkheden voor een bredere, internationale aanpak. Of de VS kunnen afzien van hun huidige 'à la carte-multilateralisme' staat niet op voorhand vast. Het zou in ieder geval een cesuur betekenen met de afgelopen tijd zo opzichtig geëtaleerde afkeer van internationale afspraken. Wordt voor een internationale aanpak bij de bestrijding van terrorisme gekozen, dan kunnen de VS niet tegelijkertijd doorgaan met het afdanken van het ABM-verdrag en het negeren van een reeks andere internationale overeenkomsten, zoals het landmijnenverdrag, het algemeen kernstopverbod en het biologisch wapenprotocol.

Een effectief antwoord op asymmetrische dreigingen vraagt verder om een ander Amerikaans veiligheids- en defensiebeleid. Er moet een verschuiving optreden van een steeds meer militair georiënteerd beleid naar een ruimer gebruik van politieke en diplomatieke middelen in het buitenlands- en veiligheidsbeleid. Het telkenjare toevoegen van tientallen miljarden dollars aan de defensiebegroting vergroot de veiligheid nauwelijks. De voortdurende beknibbeling op de uitgaven van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken holt daarentegen de effectiviteit van het veiligheidsbeleid uit. In plaats van ambitieuze hightech programma's zal in de Amerikaanse defensieplannen naar middelen en methoden moeten worden gezocht die beter aansluiten bij de huidige veiligheidsbehoefte. Dat betekent dat de aangekondigde herziening van het Amerikaanse defensiebeleid beter uitgesteld kan worden.

Zo'n herziening zal ook onder de Europese bondgenoten moeten plaatshebben. De instelling van een `task force' van de Nederlandse krijgsmachtdelen getuigt van alertheid. Maar als zo'n aanzet tot een nieuwe bezinning op de hoofdtaken van de Nederlandse krijgsmacht op zichzelf blijft staan, is sprake van een bij voorbaat gemiste kans. Asymmetrische dreigingen en de bestrijding daarvan eisen een brede aanpak, waarbinnen veranderingen van de aard en omvang van de Nederlandse krijgsmacht niet meer dan een onderdeel zijn. Aanpassing op het gebied van politie en justitie, een andere inzet van buitenlands-politieke middelen en een heroriëntatie van de Nederlandse veiligheids- en inlichtingendiensten zijn daarbij evenzeer onmisbaar. Daarbij knaagt de vraag waarom zo'n task force niet vanaf een hoger, Europees niveau opereert.