Research

Articles

Militaire gedragscode krijgt een nieuwe kans

29 Jan 2007 - 09:42
In 1997 werd een militaire gedragscode geïntroduceerd waarmee veel militairen niet gelukkig waren en waarvan het politieke draagvlak te wensen overliet. De nieuwe code lijkt een betere toekomst beschoren, denkt Kees Homan.In de jaren dertig van de vorige eeuw gold een verbod voor militairen om op een rijwiel met kindermandje te rijden, zeker als daar een kind in zat: Maar ook het niet aflossen van privé schulden of het ruziemaken van een sergeant met zijn echtgenote; ten aanhore van een mindere militair, werden destijds aan de krijgstucht getoetst: In die jaren had de militair een voorbeeldfunctie en werd hij geacht 24 uur per dag in dienst te zijn. In de jaren zestig ontkwam echter ook de Krijgsmacht niet aan de democratiseringsgolf in de samenleving.

De krijgsmacht moest een afspiegeling zijn van de samenleving, zo luidde het credo. Deze periode van vermaatschappelijking van de Nederlandse Krijgsmacht, onder het semiofficiële motto 'zo civiel als mogelijk, zo militair als nodig', is voorgoed verbonden met de Vereniging van Dienstplichtig Militairen (VVDM), met lange haren en 'nationale groetweigerdagen'.

De militair kreeg ook het recht om te demonstreren in het kader van zijn arbeidsvoorwaarden,en het militair tuchtrecht ging op de helling. Een militair die zich buiten de kazerne en buiten.diensttijd schuldig maakte aan onoorbaar gedrag viel niet langer onder het militair tuchtrecht. ook eenvoudige strafbare feiten konden niet meer door de commandant worden afgedaan, maar dienden voortaan voor de militaire kamer van de rechtbank in Arnhem. De militair die in het begin van de jaren negentig in uniform zonder hoofddeksel op het station stond, vocht dan,ook met succes de hem opgelegde krijgstuchtelijke straf -aan.

Een ommekeer kon niet uitblijven. Verregaande individualisering en rationalisering van de maatschappij, nieuwe riskante missies voor de krijgsmacht, de overgang naar een beroepskrijgsmacht en normvervaging en -verandering leidden in het midden van de jaren negentig tot een roep om een gedragscode voor militairen. Toenmalig staatssecretaris Gmelich Meijling voerde de overgang naar een beroepskrijgsmacht aan als het argument voor de invoering van zo'n code. Naar zijn mening zou de krijgsmacht, waar het gaat om normen, geen afspiegeling van de samenleving moeten zijn, maar de samenleving een spiegel moeten voorhouden.

De introductie van de gedragscode geschiedde in 1997 onder een ongelukkig gesternte. Een groot deel van het personeel vond dat er sprake was van een 'top-down'-benadering, waarbij de werkvloer nauwelijks was betrokken. Enkele militaire vakbonden meenden dat de militaire leiding de gedragscode invoerde voor vermeende 'tekortkomingen' in het nieuwe tuchtrecht - als een instrument om de medewerkers 'mee om de oren te slaan'. Veel militairen bij de koninklijke landmacht beschouwden de introductie van de gedragscode bij hun krijgsmachtdeel met stickers als een belediging voor hun intelligentie: Het politieke draagvlak voor de gedragscode bleek ook nogal mager. De meeste partijen in de Tweede Kamer toonden zich niet onverdeeld positief over de gedragscode.

Hoewel de gedragscode in duidelijke woorden was gesteld en een prima raamwerk bood voor verdere invoering, leidde de valse start ertoe dat het draagvlak in de krijgsmacht minimaal bleef.

Bij de introductie van de nieuwe gedragscode in de afgelopen week zijn dan ook duidelijk lessen uit het verleden getrokken. Als katalysator voor deze gedragscode fungeerde het rapport van de commissie-Staal over ongewenst gedrag in de krijgsmacht. Zo luidde een van de aanbevelingen in het rapport dat de gedragsnormen in de krijgsmacht expliciet worden geformuleerd, gecommuniceerd, toegepast en gehandhaafd. Bovendien was er de nodige druk vanuit het parlement.

Voorafgaande aan de introductie van de nieuwe code zijn nu speciale sessies met militair personeel en vakbonden gehouden om tot een gedragscode te komen die op een breed draagvlak kan rekenen.

Het resultaat zijn vijf korte, bondige en duidelijke regels, die representatief zijn voor een moderne professionele krijgsmacht. De gedragscode heeft de status van concept, want verdere discussies onder het personeel maken verdere aanpassingen nog mogelijk. De gedragscode is geen substituut voor het militair straf- en tuchtrecht, maar is aanvullend. De code dient vooral als richtsnoer vooraf voor het gedrag van militairen, ook buiten de kazerne. De Tweede Kamer gaat minstens vier jaar ieder half jaar de vorderingen controleren. Daarnaast heeft Defensie extra geld beschikbaar gesteld om aanbevelingen van de commissie-Staal te faciliteren. Dit wettigt de verwachting dat deze gedragscode een betere toekomst tegemoet gaat dan die van tien jaar geleden. En dat is gezien het recente wangedrag van enkele militairen ook wel nodig.