De manier waarop Amerikaanse strijdkrachten snel en succesvol het regime van Saddam Hussein ten val hebben gebracht, onderstreept de militaire kloof tussen de Verenigde Staten en Europa. Is er nog wel een gemeenschappelijke NAVO-operatie mogelijk, vragen Kees Homan, Frans Osinga en Rob de Wijk zich af.
De zege die de Amerikaans-Britse troepenmacht na 26 dagen oorlog tegen Irak behaalde, is een bijzondere prestatie. De overwinning kwam voor velen onverwacht snel, zeker na de ernstige tegenvallers waarmee de coalitie de eerste week van de operatie te kampen leek te hebben. Na tien dagen oorlog waarschuwde generaal William Wallace, commandant van het vijfde Amerikaanse legerkorps in Irak op 28 maart nog dat de kans op een snelle overwinning steeds kleiner werd. Maar een week na de uitspraak van Wallace stonden Amerikaanse troepen bij Bagdad en na nog een week was het pleit beslecht. Buiten het zicht van de camera's werden eclatante militaire successen geboekt op andere fronten. Zo week de oorlog zoals die op televisie was te zien, sterk af van de daadwerkelijke strijd in Irak.
Dat had alles te maken met bijvoorbeeld de shadow soldiers van de speciale troepen, die een steeds dominantere rol in de oorlogvoering blijken te spelen. Van de ongeveer 40.000 man tellende special forces zijn er in Irak waarschijnlijk zo'n 9.000 ingezet. In een historisch ongekende operatie waren honderden teams speciale eenheden uitgezet in het westen, noorden en het zuiden van Irak. Zij stonden in direct contact met hoofdkwartieren en gevechtsvliegtuigen. Met moderne datacommunicatiemiddelen kon binnen enkele minuten een luchtaanval worden ingeroepen. Zij hielden aanvoerroutes in de gaten, observeerden specifieke militaire objecten, vielen paleizen binnen, voorkwamen dat oliebronnen werden gesaboteerd, en detecteerden raketinstallaties. Met Koerdische strijders zorgden ze ervoor dat Iraakse eenheden in het noorden niet konden worden ingezet voor de verdediging van Bagdad.
Tegelijkertijd werden strategische doelen en militaire hoofdkwartieren gebombardeerd. Verkenningsvliegtuigen speurden naar eenheden van de Republikeinse Garde rond Bagdad en schakelden die stelselmatig uit in de meest intensieve luchtoperatie sinds Desert Storm in 1991. De Amerikanen konden door hun luchtoverwicht de 1.200 gevechtsvliegtuigen vrijwel naar believen van grote hoogte per dag ongeveer 1.000 precisiewapens laten afwerpen. Tientallen gevechtsvliegtuigen patrouilleerden 24 uur per dag in 'kill boxes', klaar om te reageren op inkomende informatie over opdoemende doelen of een verzoek om luchtsteun zodat de grondtroepen hun opmarstempo konden volhouden. Het synergetische effect van deze aanvallen was dat Iraakse troepen blind, doof en verlamd waren. Dit verklaart het enorme aantal troepen dat vervolgens de benen nam.
De inzet van de special forces en het luchtoffensief waren twee belangrijke pilaren waarop de coalitie haar op het oog riskante strategie met slechts enkele divisies grondtroepen had gebouwd. Een andere was de superioriteit in training en uitrusting van grondtroepen. De vierde pijler was informatiedominantie. Speciale eenheden, onbemande verkenningsvliegtuigen, satellieten en afluisterapparatuur zorgden voor een continue stroom van accurate gegevens naar Franks en zijn commandanten.
Deze enorme voorsprong in informatie zou echter weinig waard geweest zijn zonder de vijfde en laatste pijler: de verregaande integratie van eenheden van marine, luchtmacht, landmacht, mariniers en speciale eenheden. Iraqi Freedom is het succesverhaal van joint optreden. Deze integratie betreft ten eerste het koppelen van de informatie en communicatiesystemen van de verschillende krijgsmachtdelen aan de vele commandocentra en de gevechtseenheden, zodat al deze elementen worden verweven tot een netwerk. In Afghanistan was goede ervaring opgedaan met dit idee van network centric warfare. In tegenstelling tot de vorige Golfoorlog, die een luchtoorlog en een landoorlog kende, was nu sprake van één geïntegreerde oorlog. Uit de Afghaanse oorlog was de les getrokken dat de militaire operaties niet vanuit het hoofdkwartier van Central Command in Tampa in de Verenigde Staten, maar vanuit Qatar aan de Golf moesten worden geleid. Tijdens de Afghaanse oorlog had de bevelsstructuur, waarbij troepen en materieel werden aangestuurd vanuit één locatie een halve wereld van het front verwijderd, tot onnodige frictie geleid tussen het hoofdkwartier en commandanten ter plaatse.
De tweede betekenis van integratie lag in de nauwe samenwerking tijdens acties. Vliegtuigen van de Amerikaanse marine schakelden weerstandsnesten uit voor landmachteenheden terwijl artilleriebarrages en gevechtshelikopters andere eenheden aanpakten. Britse special forces traden in teamverband op met Amerikaanse F-16's en B-52 bommenwerpers. CIA agenten speurden naar het regime in Bagdad en konden kruisraketten vanaf marineschepen inroepen. Een noviteit was de inzet van dit geïntegreerde optreden in de steden. Met Predator verkenningsvliegtuigen, special forces en gevechtshelikopters werden eenheden van de Fedayeen opgespoord, en met behulp van luchtaanvallen deels uitgeschakeld. Daarna konden tanks, pantserwagens en infanterie het gevaarlijke karwei afmaken. Deze aanpak en het succes kan als culminatie worden gezien van een patroon dat begon bij Desert Storm (verdrijving van Saddam uit Koeweit, 1991), en loopt via Deliberate Force (bombardementscampagne in Bosnië, 1995) en Allied Force (militaire actie tegen Joegoslavië, 1999) naar Enduring Freedom (Afghanistan). De commandant van de Britse strijdkrachten in Irak, luchtmaarschalk Brian Burridge, merkte in dit verband op: "Terwijl tijdens de Oost-West-confrontatie de oorlogvoering te vergelijken was met de vaste partituur van een symfonie, was in deze oorlog de improvisatie van jazz-muziek vereist.''
Toch is het opmerkelijk dat Irak niet beter heeft kunnen inspelen op de Amerikaanse aanpak. Al sinds de vorige Golfoorlog is duidelijk dat het zinloos is de Amerikanen op hún voorwaarden te bevechten. Het antwoord is asymmetrische oorlogvoering. Aanvankelijk leek de Iraakse strategie goed te werken: Irak had heimelijk de Fedayeen en eenheden van de speciale republikeinse garde posities in de zuidelijke steden laten innemen. Daardoor kon de opmars van de Britten en de mariniers worden vertraagd en konden de aanvoerlijnen voor de derde infanteriedivisie die naar Bagdad racete, worden doorgesneden. Bovendien zouden versterkingen Bagdad niet kunnen bereiken als troepen in het zuiden werden opgehouden. Deze strategie werkte ten dele - de Fedayeen waren in het zuiden te gering in getal om langdurig stand te kunnen houden tegen inventieve Britse en Amerikaanse tactieken en overweldigende vuurkracht.
Een incompetente Iraakse militaire leiding moet bovendien mede als schuldige worden gezien van het falen van de strategie. In feite speelden de Iraakse acties zich niet op strategisch, maar op tactisch niveau af, waarin elke samenhang ontbrak. De grootste blunder was dat de Republikeinse Gardes en andere eenheden de verdediging buiten de steden organiseerden, waardoor ze kwetsbaar voor de Amerikaanse bombardementen waren. Opmerkelijk is dat deze zelfmoordstrategie ook in de steden plaatshad. Op zaterdag 5 april organiseerde generaal Tommy Franks, de bevelhebber van operatie Iraqi Freedom, een drie uur durende proefrit door Bagdad om het verzet te testen. Het resultaat was 2.000 tot 3.000 doden aan Iraakse kant en slechts één aan Amerikaanse. Doordat de communicatie was lamgelegd, kon nauwelijks meer sprake zijn van grootschalig, georganiseerd verzet tegen de Amerikaanse opmars. Maar ook de gevreesde stadsguerrilla bleef uit en dit is wellicht het meest verbazingwekkende aspect van deze oorlog, dat niet kan worden verklaard door het ontbreken van communicatiesystemen. De essentie van een stadsguerrilla is dat deze juist zonder of slechts met rudimentaire communicatie in dicht bebouwde gebieden kan optreden. Had Saddam Hussein een competent officierskorps gehad en zijn verdediging van meet af in de steden georganiseerd, dan zou de coalitie waarschijnlijk nu nog volop in oorlog zijn.
Het zorgwekkende van deze overwinning is echter dat Iraqi Freedom in de ogen van de Amerikaanse neoconservatieven vermoedelijk wordt gezien als de lakmoesproef van het veiligheidsbeleid dat stoelt op preventieve oorlog. De architect van de overwinning, Donald Rumsfeld, ziet in het succes in ieder geval een validering van zijn moderniseringsplannen voor de Amerikaanse krijgsmacht. Duidelijk is dat het Amerikaanse Network Centric Warfare'-model met zijn militair-technologische superioriteit in deze oorlog weer eens de kloof met Europa op militair gebied heeft onderstreept. Tot op heden hanteert alleen de Britse krijgsmacht dit model als richtsnoer om de militaire aansluiting met de Verenigde Staten niet te missen. Dit vergt grote investeringen in hoogwaardige communicatiesystemen en commandofaciliteiten, onbemande en bemande waarnemingssystemen en geavanceerde wapensystemen. Als de overige Europese lidstaten van de NAVO ook niet deze koers gaan varen, wordt het gebrek aan interoperabiliteit tussen Amerikaanse en Europese eenheden binnen de NAVO steeds groter. Dit doet de vraag rijzen of de interventie in Kosovo in 1999 misschien wel de laatste door het bondgenootschap geleide gevechtsoperatie is geweest.