De kosten van militaire NAVO-operaties zullen beter moeten worden verdeeld, willen kleine lidstaten daar nog aan deelnemen, meent Kees Homan.
De ontwikkelingen in Uruzgan maken de laatste tijd geregeld deel uit van het dagelijks nieuws. Duidelijk is dat de robuust uitgeruste Nederlandse troepen een risicovolle missie tegemoet gaan. Weinig aandacht krijgen de kosten die voor Nederland met deze missie gepaard gaan. Hoogstwaarschijnlijk zullen deze uiteindelijk de half miljard euro te boven gaan. Maar veiligheid is een collectief goed, dat niet in eenheden kan worden gesplitst die uitsluitend aan een of meer belanghebbenden toekomen. Wanneer een internationale organisatie een gemeenschappelijk aanvaard doel nastreeft, dan komt dit ten goed aan alle leden van de organisatie. Nederland zal echter zelf voor het overgrote deel van de kosten van de missie moeten opdraaien. Dit volgens het beginsel 'costs lie where they fall'.
Rechtvaardiger is het systeem dat de Verenigde Naties hanteren. De vredesoperaties van deze organisatie worden afzonderlijk van het reguliere VN-budget bekostigd uit een systeem van zogenoemde assessments accounts. De ratio voor een afzonderlijk financieringssysteem is dat het een permanentere en betrouwbaarder bron van financiering vormt. Dit systeem onderkent het risico van free riders, een probleem dat inherent is aan collectieve goederen.
De financiële bijdragen van de VN-lidstaten zijn gebaseerd op het BNP per hoofd van de bevolking. Dit betekent dat vrijwel alle kosten van VN-vredesoperaties voor rekening komen van de permanente leden van de Veiligheidsraad (63,15 procent) en de EU-leden en leden van de OECD (34,78 procent). Achterstallige contributies van VN-leden en de bureaucratie in New York leiden er vaak toe dat de restitutie van gemaakte kosten lang op zich laat wachten. Maar in beginsel is dit systeem rechtvaardig, want alle lidstaten dragen op basis van draagkracht bij aan het publieke goed veiligheid.
De Europese Unie, die in het kader van het Europees Veiligheids en Defensie Beleid ook militaire operaties uitvoert, heeft voor de gemeenschappelijke kosten van een operatie het zogenoemde Athena-mechanisme ingevoerd. Dit voorziet onder meer in de vergoeding van de marginale kosten van hoofdkwartieren voor EU-operaties, transportkosten naar en van het operatiegebied, accommodatie en infrastructurele kosten.
De NAVO heeft afgelopen najaar de mogelijkheden tot gemeenschappelijke betaling iets verruimd. Zo krijgt een lidstaat die als eerste in een operatiegebied infrastructurele voorzieningen aanlegt - waarvan later ook andere lidstaten profiteren - de kosten hiervan vergoed.
Het systeem van costs lie where they fall in de NAVO betekent tevens dat landen die de grootste investeringen plegen om hun strijdkrachten te moderniseren, als gevolg hiervan de landen zijn die voortdurend worden gevraagd deel te nemen aan complexe vredesoperaties en zich hiervoor de grootste financiële bijdragen moeten getroosten.
Door tijdig het hoofdaccent bij onze krijgsmacht te verschuiven naar expeditionaire operaties behoort Nederland tot een van de weinige NAVO-lidstaten die op substantiële wijze kunnen bijdragen aan een complexe militaire operatie zoals in Afghanistan. Een land als België, dat jarenlang niet meer dan 7 procent van zijn defensiebudget aan investeringen en zo'n 70 procent aan personeel besteedde, en waar duizenden overtollige militairen niet mochten worden ontslagen, steekt hier schril bij af.
Een ander financieel knelpunt vormt de deelname aan de NATO Response Force (NRF). Op rotatiebasis stellen NAVO-lidstaten voor een periode van een half jaar eenheden voor de NRF beschikbaar De secretaris-generaal van de NAVO, Jaap de Hoop Scheffer, merkte eerder dit jaar tijdens de jaarlijkse conferentie over veiligheidsbeleid in München op, dat de deelname aan de NRF op een omgekeerde loterij lijkt. Als de NRF wordt ingezet en je toevallig deel uitmaakt van de rotatie, betaal je de volledige kosten van de inzet van je eenheden. Dit overkwam vorig jaar Spanje toen dit land de landstrijdkrachten voor de NRF leverde en zelf de kosten van de inzet van zijn eenheden bij de aardbeving in Pakistan moest dragen.
Nu de NAVO zich heeft ontwikkeld van een regionale tot een mondiale actor, dient dit ook gevolgen te hebben voor de financiering van de militaire operaties. Door het nog steeds dominante beginsel dat deelnemende landen zelf de rekening moeten betalen, loopt het bondgenootschap het risico dat langzamerhand de bereidheid van landen vermindert - in het bijzonder van kleine landen - aan militaire operaties deel te nemen. Reeds nu blijkt het moeilijk te zijn de rotaties van de NRF voor de komende jaren gevuld te krijgen.
Een studie van het Amerikaanse Center for Strategic and International Studies over Europese defensie-integratie deed in 2004 de aanbeveling, alle NAVO lidstaten 0,17 procent van hun BNP jaarlijks in een gemeenschappelijk fonds te laten storten om die landen terug te betalen die deelnemen aan een militaire operatie.
Een gemeenschappelijk fonds voor NAVO-operaties zal een proportionele verdeling van de financiële last vergroten, terwijl - aangenomen dat de defensie-budgetten gelijk blijven - andere uitgaven zoals investeringen hier niet onder zullen lijden. Een gemeenschappelijk fonds is essentieel om de duurzaamheid en de geloofwaardigheid van de NAVO voor de toekomst te waarborgen. Zo'n fonds onderstreept collectieve solidariteit, welke de noodzakelijke basis vormt voor een organisatie als de NAVO om zijn doelstellingen te realiseren.