Zolang er geen eenduidig EU-geluid te horen valt in de vorm van één EU-vertegenwoordiging, moeten de Benelux-landen de krachten bundelen om nog gehoord te worden.
De EU mist eenheid, de VS neemt afstand, en de VN is in crisis. Een reden voor België, Nederland en Luxemburg om zowel politiek als militair samen te werken.
Luc De Vos betoogde in deze krant (DM 21/5) dat Nederland, België en Luxemburg tot een Benelux-leger moeten komen. Zijn pleidooi zal bij menigeen de wenkbrauwen hebben doen fronsen. Alles wat met de Benelux geafficheerd wordt, doet toch denken aan iets uit een ver verleden. Niettemin lijkt zich de laatste tijd wel degelijk in de Benelux-samenwerking een nieuw elan te hebben ontwikkeld.
Zo hebben de drie landen met het sluiten van een nieuw Benelux-verdrag duidelijk aangegeven hun samenwerking te willen voortzetten. Dit nieuwe verdrag raakt echter niet aan de politieke samenwerking tussen de drie partners binnen de EU en op mondiaal niveau. Het zijn juist ontwikkelingen op deze niveaus die het belang onderstrepen van intensivering van de politieke samenwerking.
Binnen de Europese Unie zijn de drie Benelux-landen individueel kleine(re) lidstaten. Wie binnen een unie met 27 landen over natuurlijke partners beschikt waarmee vroegtijdig zaken kunnen worden gedaan, heeft dan ook een voorsprong op de andere landen. Dit gegeven zet een premie op samenwerking tussen de Benelux-partners.
Een tweede overweging voor meer politieke samenwerking is dat de Benelux-landen niet langer kunnen vertrouwen op de traditionele ankers van hun buitenlands beleid. Hun inzet op een sterk Europa, een hechte band met de VS en een krachtig multilateraal bestel staat onder druk. De EU mist eenheid, de VS neemt afstand, en de VN is in crisis. Kortom, alle reden om de handen in elkaar te slaan teneinde nog enige invloed te kunnen uitoefenen binnen Europa en het wereldbestel.
Ook de verschuivende mondiale machtsverhoudingen dwingen tot meer politieke samenwerking. Zowel België als Nederland hebben een prominente positie binnen het mondiale bestel, bv. in het IMF. Die positie staat echter door de veranderende machtsverhoudingen onder druk. Zolang er geen eenduidig EU-geluid te horen valt in de vorm van één EU-vertegenwoordiging, is er wederom reden voor de Benelux-landen om de krachten te bundelen, teneinde zo nog gehoord te worden.
De politieke samenwerking kan daarbij profiteren van de samenwerking op militair terrein. In antwoord op de bezuinigingen op defensie worden bovendien momenteel de mogelijkheden onderzocht om in navolging van de bestaande Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking (Benesam) tot samenwerking te komen tussen de land- en luchtstrijdkrachten. Bij de marines worden de Belgische en Nederlandse fregatten en mijnenbestrijdingsvaartuigen operationeel aangestuurd door één binationaal marinehoofdkwartier (Admiraal Benelux) in Den Helder. Daarnaast is België belast met de opleiding en training van de bemanningen voor de mijnenbestrijdingsvaartuigen en is het verantwoordelijk voor de logistiek en het onderhoud van deze vaartuigen. Nederland heeft dezelfde verplichtingen voor de M-fregatten.
Te land en in de lucht
Maar er zijn ook mogelijkheden voor samenwerking tussen de land- en luchtstrijdkrachten. Zo beschikken de Belgische en Nederlandse luchtmacht tezamen nog over 122 F-16-gevechtsvliegtuigen, die echter over vier vliegbases zijn verspreid. Het zou voor de hand liggen deze op minder vliegbases te concentreren. Eenzelfde concentratie is mogelijk op het gebied van transportvliegtuigen, waarbij stationering van de Nederlandse transportvliegtuigen in een pool op de Belgische vliegbasis Melsbroek overwogen zou kunnen worden.
Bij de landstrijdkrachten beschikt België niet meer over zware artillerie, maar wel over een lichte 105 mm-capaciteit, terwijl Nederland wel over zware artillerie beschikt in de vorm van een 155 mm-capaciteit. De vuursteunsystemen van beide landen werken met dezelfde procedures waardoor ze zeer interoperabel zijn. Een mogelijke optie is binationalisering in een staande organisatie, waarbij de Nederlandse 155 mm-capaciteit ook inzetbaar is voor Belgische eenheden en de Belgische lichte 105 mm-capaciteit inzetbaar is voor de Nederlandse luchtmobiele eenheden. Om de nationale beslissing over de inzet van deze artillerie te waarborgen, kan overwogen worden de Belgische en Nederlandse artilleristen zowel voor de zware als lichte artillerie op te leiden en te trainen.
Maar er zijn gelukkig meer tekenen van een groter besef van de noodzaak van nauwere samenwerking tussen België en Nederland. Zo is er naast het streven naar een gemeenschappelijke kiesgroep in het IMF, sinds kort een roulerende zetel in de Contactgroep Libië en werd er een humanitaire Benelux-verkenningsmissie naar Benghazi gestuurd. Daarnaast, en dat is in het licht van de historie het meest tekenend voor de veranderende verhoudingen, is onlangs aangekondigd dat de Rotterdamse en Antwerpse haven tot strategische samenwerking willen komen. Als dat lukt, moet het politiek en militair toch ook kunnen!