Research
Articles
Soevereiniteit gaat nog steeds boven humaniteit
Maar de tijden zijn veranderd en in de huidige verhoudingen is dit beginsel dusdanig aangevreten dat het steeds minder aanspraak kan maken op onaantastbaarheid. Dit niet alleen ten gevolge van krachten als globalisering, internationale samenwerking en democratisering, maar ook door de ruime aandacht die is ontstaan voor de humanitaire imperatief in de internationale politiek. Steeds meer groeit het besef dat de nationale en internationale ordes nauw samenhangen. Beide ontlenen ze hun legitimiteit en stabiliteit voor een belangrijk deel aan hun vermogen om individuen of groepen te beschermen tegen willekeur.
Zo introduceerde het United Nations Development Programme (UNDP) het concept van menselijke veiligheid (human security) in 1994. Dit concept neemt eerder personen dan staten als uitgangspunt en beschouwt de veiligheid van personen als een integraal onderdeel van internationale vrede en veiligheid. Hoewel erkend wordt dat de veiligheid van staten essentieel is, blijkt dit niet altijd voldoende te zijn om de veiligheid en het welzijn van mensen te verzekeren.
Bescherming
De responsibility to protect (R2P, de verantwoordelijkheid te beschermen) is een nieuwe ontwikkeling op het gebied van menselijke veiligheid. Op initiatief van de Canadese regering heeft de International Commission on Intervention and State Sovereignty enkele jaren geleden nagedacht over de wijze waarop de internationale gemeenschap zou moeten reageren op crises zoals in Rwanda en Darfur.
Wat houdt R2P nu in? Vertrekpunt hierin is niet het recht op interventie, maar de verantwoordelijkheid om te beschermen. Deze doctrine bevestigt dat het in eerste instantie de staat is die verantwoordelijk is voor de bescherming van zijn eigen burgers. Anders gezegd: iedere staat heeft de primaire plicht zijn eigen bevolking te beschermen tegen ernstige en voortdurende schendingen van mensenrechten. Soevereiniteit wordt daarbij opgevat in termen van verantwoordelijkheid en niet in termen van rechten van de staat.
Pas wanneer de staat niet bij machte of niet bereid is zijn burgers te beschermen, gaat de plicht om te beschermen over op de internationale gemeenschap. Deze dient dan passende actie te ondernemen, met inbegrip van in laatste instantie - en indien de Veiligheidsraad hiermee instemt - militaire actie.
Onder aanvaarding van dit concept noemde de toenmalig secretaris-generaal van de VN Kofi Annan in zijn rapport In Larger Freedom in 2005 de volgende vijf basiscriteria waaronder de Veiligheidsraad het gebruik van geweld zou mogen goedkeuren, of zelfs zou behoren goed te keuren:
- De ernst van de dreiging voor de staat of veiligheid van de mens moet voldoende duidelijk en ernstig zijn om het gebruik van geweld te rechtvaardigen;
- de interveniërende staat/staten moet(en) de juiste intentie hebben;
- de interventie moet een laatste redmiddel zijn, dat wil zeggen dat alle vreedzame middelen moeten zijn uitgeput;
- de ingezette middelen moeten proportioneel zijn; en
- er moet een redelijke kans zijn dat de interventie ook tot een daadwerkelijke beëindiging van de mensenrechtenschendingen leidt.
Op de VN-Wereldtop in september 2005 hebben 170 landen de doctrine van R2P in het Slotdocument aanvaard en daarna is deze door de Algemene Vergadering door middel van een resolutie aangenomen. Daarmee heeft R2P ook binnen de internationale gemeenschap vaste voet aan wal gekregen. Wel is te betreuren dat de vijf basiscriteria van Kofi Annan niet in de slotverklaring zijn opgenomen. De slotverklaring komt niet verder dan het erkennen van de noodzaak om de discussie over de beginselen voor het gebruik van geweld voort te zetten.
Binnenlandse crisis?
De situatie in Birma als gevolg van de cycloon Nargis op 2 mei jl. was de gelegenheid bij uitstek om het concept van R2P voor het eerst in de praktijk te brengen. Talloze Birmezen lijden honger, missen onderdak, kampen met een gebrek aan water en zich uitbreidende ziekten en sterven zelfs. Maar toch werpt de militaire junta van het land (bij het ter perse gaan van dit nummer) nog steeds obstakels op tegen de aangeboden en zo noodzakelijke grootschalige hulpverlening van buiten.
Net zoals Mao's China en Kim Jong Il's Noord-Korea, accepteert de militaire junta liever tienduizenden doden dan op grote schaal buitenlandse hulpverleners toegang tot het land te verlenen. Het betreft hier een regime dat al veertig jaar lang op grove wijze de mensenrechten schendt. Tot het onderdrukkingsrepertoire van de militaire junta behoren gedwongen arbeid voor etnische minderheden, de (meestal gewelddadige) rekrutering van meer dan 70.000 kindsoldaten en seksueel geweld tegen vrouwen in dissidente etnische gebieden. De junta is in staat zijn macht te handhaven door uitgebreide economische en militaire relaties met vooral China en India. Deze landen beconcurreren elkaar om toegang te verkrijgen tot Birma's olie, kolen, tin, koper, zilver, zink en andere delfstoffen.
Frankrijk en een aantal ngo's hebben enkele dagen na de orkaan voorgesteld de doctrine van R2P als basis te laten dienen voor een resolutie van de Veiligheidsraad die het afleveren van internationale hulp toestaat, zelfs zonder toestemming van de junta. Maar het Franse voorstel stuitte in de Veiligheidsraad op tegenstand van Rusland, China en Zuid-Afrika, die dit beschouwden als een inmenging in een binnenlandse crisis. Rusland en China hadden al op de VN-top verzet getoond tegen aanvaarding van R2P, aangezien zij vreesden voor de inperking van hun soevereiniteit. Maar Zuid-Afrika is nota bene het land waar vooral druk van buitenaf heeft bijgedragen aan het einde van de apartheid! Waarschijnlijk spelen de grote Chinese investeringen in dit land een rol.
Concluderend: ondanks het collectieve falen bij de genocide in Rwanda en het niet ingrijpen in de burgeroorlog in Darfur, is de internationale gemeenschap ook nu nog steeds niet bereid de internationale verantwoordelijkheid tot bescherming voorrang te verlenen boven het beginsel van niet-inmenging. Machtspolitieke relaties en de behartiging van nationale belangen blijken in de praktijk nog steeds doorslaggevend te zijn voor het gedrag van lidstaten van de VN!