Research

Articles

Van Aartsen: uitbreiding sneller maar niet té snel

15 Mar 2006 - 00:00
Nederland wil tempo brengen in de toetreding van Centraal-Europese landen tot de Europese Unie. In de jongste notitie van minister Van Aartsen staat te lezen dat 'de trein' weliswaar goed op de rails staat, maar dat het van groot belang is dat deze trein ook 'op snelheid komt'. Blijkens de notitie staan er concrete Nederlandse belangen op het spel.

Zo is becijferd dat Nederland, na Duitsland, de grootste investeerder in Oost-Europa is, met een totale waarde aan directe investeringen van 4,7 miljard euro. Na toetreding zouden investeringsmogelijkheden toenemen en de Nederlandse export kunnen groeien met 1 tot 2%.

Van Aartsen spreekt grote bezorgdheid uit over een mogelijke stagnatie. Door het uitblijven van zichtbare voortgang dreigen beide partijen hun motivatie voor het proces als geheel te verliezen.

Dat is allemaal vrij duidelijk. Minder duidelijk is echter of Nederland bij machte zal zijn om aan deze door Van Aartsen zo gewenste tempoversnelling een bijdrage te leveren. De onderhandelingen met een aantal Midden-Europese kandidaten zijn weliswaar al in 1998 formeel begonnen, maar van knopen doorhakken is nog geen sprake. Een weerbarstig dossier als de landbouw, waar de EU-lidstaten zelf ook nog niet uit zijn, zal volgens de recente rapportage van de Europese Commissie pas in de eerste helft van 2002 serieus aan de orde komen. Alleen al daarom heeft het noemen van een toetredingsdatum, waar de Notitie van Van Aartsen op aandringt, weinig zin. Het zou valse verwachtingen wekken.

Opvallend is verder dat dezelfde Van Aartsen die op snelheid hamert, op enkele belangrijke punten juist aandringt op zorgvuldigheid en geleidelijkheid. Terecht wijst hij erop dat de kandidaat-landen, wil de interne EU-markt in stand blijven, over een functionerende markteconomie moeten beschikken die in staat is de concurrentiedruk van deze markt het hoofd te bieden. Behalve Cyprus en Malta voldoet geen enkel kandidaat-land aan dit essentiële criterium.

Een andere voorwaarde voor toetreding is 'goed bestuur'. Ook hier houdt Van Aartsen rekening met een proces van langere adem, omdat het de kandidaat-landen 'veelal nog aan slagkracht en capaciteit ontbreekt om overgenomen EU-regelgeving daadwerkelijk te implementeren en te handhaven'. Tegelijk vindt hij goed bestuur een essentieel element. Want: tekortkomingen kunnen de vrije markt méér verstoren dan onvolledige overname van alle Europese regels of het bestaan van overgangsperiodes.

Uit recente rapporten van de Europese Commissie blijkt dat de voortgang niet erg vlot verloopt. Bij vraagstukken als landbouw en milieu is het wachten op besluitvorming binnen de EU. Pas als de huidige lidstaten het eens zijn over de hervorming van het landbouwbeleid en de omvang van de steun op milieugebied, kunnen deze dossiers bij de onderhandelingen worden afgerond.

Een andere complicatie is dat de EU op tal van terreinen nieuwe afspraken maakt, waar de kandidaten eveneens aan zullen moeten voldoen. Een treffend voorbeeld is de voedselveiligheid. Op dit momentvoldoet nog niet 1% van de vleesverwerkende industrie in Polen aan de EU-normen. Nederland, zo verzekert Van Aartsen, zal 'insisteren op harde en controleerbare garanties voor de voedselveiligheid'.

Uit dit alles blijkt dat we onder het tempo waar deze regering op aandringt, zeker geen sneltreinvaart moeten verstaan. Het is ook zeer de vraag of zo'n acceleratie wenselijk en mogelijk is. Binnen de EU bestaan nog steeds grote weerstanden tegen uitbreiding. Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland vrezen dat deze ten koste zal gaan van hun subsidies. Duitsland, vanouds een van de grootste belanghebbende, ziet zijn handelingsvrijheid beknot door de eisen van de 'Vertriebenen', die teruggave van het vooroorlogse familiebezit in Tsjechië en Polen eisen.

Van Aartsen maakt zich zorgen over het 'maatschappelijk draagvlak' in Nederland en wil meer aan voorlichting doen. Dat gebeurt al in de kandidaat-landen, echter zonder dat dit resulteert in groter EU-enthousiasme. In Polen bleek vorig jaar nog slechts de helft van de bevolking voorstander van toetreding. Bij de recente presidentsverkiezingen hadden de meeste kandidaten ernstige bezwaren. Het vermoeden bestaat dat dit niet het gevolg is van onwetendheid, maar eerder van het tegendeel. Naarmate men in Midden-Europa de consequenties van toetreding beter gaat begrijpen, groeien de twijfels.