Research
Op-ed
Van Srebrenica tot Uruzgan: stilstaan bij inzet krijgsmacht
Het echec van Srebrenica in juli 1995 -de zwarte bladzijde uit de Nederlandse militaire historie- staat eenieder nog bij. Het bataljon zat al maanden verstoken van rantsoenen en munitie en met een uitgedunde sterkte in een geïsoleerde positie. De politiek had destijds bedongen dat voor het benadrukken van de vredestaak de pantservoertuigen hun kanon moesten verwisselen voor een mitrailleur. Toen de Bosnisch-Servische troepen de zogenaamde "safe haven" binnenvielen, waren de militaire krachtsverhoudingen dan ook duidelijk ten ongunste van Dutchbat. De (minimale) luchtsteun van de NAVO op verzoek van de VN bereikte het gebied pas toen de strijd al gestreden was. De afloop is bekend.
Die tragische ervaring heeft gevolgen gehad voor de internationale politiek, voor het Nederlands veiligheidsbeleid en voor het optreden van onze strijdkrachten.
Allereerst internationaal. Na de mislukte VN-operatie in Somalië, een paar jaar eerder, demonstreerde het optreden van de vredesmacht Unprofor in onder meer Srebrenica nog veel sterker het falen van de VN bij de oplossing van gewapende conflicten. De animo van landen om hun troepen in te zetten voor VN-operaties zakte ineen. De NAVO nam die rol van internationale politieman over.
Bovendien was nieuw dat de militairen van een internationale vredesmacht zo nodig geweld zouden gebruiken.
Daarbij was ook een verschuiving zichtbaar in het westerse denken over militair ingrijpen: ondanks het ontbreken van een VN-resolutie achtte in 1999 de NAVO militair ingrijpen in Kosovo gerechtvaardigd, als 'humanitaire interventie' tegen Servië, dat een deel van zijn bevolking om-bracht.
Toetsing
Srebrenica heeft ook grote gevolgen gehad voor het politiek-militaire denken in Den Haag. Allereerst de lessen voor de politiek. Voor militaire inzet moest een helder afwegingsproces komen. Dat resulteerde in het zogenaamde toetsingskader, aan de hand waarvan de Tweede Kamer beslist of Nederlandse deelname gewenst is.
Voorts is het afgelopen decennium het politieke denken over militaire inzet verschoven van hoofdzakelijk vredeshandhavende missies naar missies zelfs tot in de hoogste niveaus van het geweldsspectrum. Voorbeelden waarbij de krijgsmacht gewelddadiger optreedt, waren de inzet van Nederlandse mariniers en commando's bij de gevechtsmissie Enduring Freedom in Afghanistan en het voornemen tot aanschaf van Tomahawkkruisraketten.
Verder heeft de ervaring met gecompliceerde operaties -zoals die in Bosnië, Kosovo, Irak en Afghanistan- geleerd dat kortlopende militaire inzet geen structurele oplossing biedt voor een conflict. Daartoe zijn sociaaleconomische en staatsopbouwprojecten van lange duur nodig. Dat kan Defensie niet alleen en daarom werkt dit departement hiertoe structureel nauw samen met Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Ook dat is een nieuw fenomeen: de militair van vandaag is tevens diplomaat en ontwikkelingswerker.
Psychologische omslag
Vervolgens -en voortvloeiend uit de aanpassingen van het veiligheidsbeleid- militaire lessen, zowel naar structuur als naar optreden van de krijgsmacht. Het leger is tegenwoordig een belangrijk instrument van het Nederlandse veiligheidsbeleid. De politieke ambitie van een expeditionaire krijgsmacht die op korte termijn wereldwijd inzetbaar is, heeft gigantische consequenties gehad voor de opbouw van de strijdkrachten: dit vereiste de omvorming van een groot, statisch dienstplichtig leger naar een kleine, modern uitgeruste beroepskrijgsmacht.
Maar ook een psychologische omslag voor de militair: van rustig afwachten op een vijand uit het oosten die niet komt naar om de paar jaar op uitzending naar gevaarlijke missies in het buitenland. Srebrenica heeft ook een omslag bewerkstelligd in het militaire denken. De ontplooiing van Nederlandse militaire eenheden zou nooit meer geïsoleerd plaatsvinden, maar altijd als onderdeel van en in samenwerking met troepen van een of meer andere landen.
Voorts zou de taakuitvoering robuuster moeten kunnen zijn; de tijd van schietschijf spelen voor lokale militaire facties is voorbij. Dat betekende dat de militairen voortaan zwaarbewapend, "groen", in een gebied zouden gaan -om zo nodig met geweld op te treden- en pas als de omstandigheden dit zouden toelaten, over te gaan naar "blauw", als vredeshandhavende macht. Voorts zou de krijgsmacht voor ondersteuning niet meer afhankelijk zijn van anderen, maar dit in eigen beheer regelen. Daarom nam het leger in Irak Apachegevechtshelikopters mee en is de huidige Nederlandse troepenmacht in Afghanistan -voorzien van Apaches, F-16-gevechtsvlieg-tuigen en de modernste zware artilleriestukken- de zwaarst bewapende ooit.
Daarmee wordt de battle group van het bataljon van het Regiment Limburgse Jagers optimaal ondersteund.
Stilstaan
Vandaag is het Dodenherdenking. Wij herdenken daarbij niet alleen de gesneuvelden van de Tweede Wereldoorlog, maar ook allen die sindsdien het leven hebben gelaten in militaire operaties, van Nederlands-Indië via Srebrenica tot Uruzgan.
De krijgsmacht, als instrument van het veiligheidsbeleid, tracht vrede en gerechtigheid te brengen in een gewelddadige wereld. Het ware goed dat juist vandaag, op Dodenherdenking, bevolking én regering ook stilstaan bij die moeilijke en gevaarlijke taak van onze militairen in den vreemde.