Verzet Colombia hoort ook op zwarte lijst EU
Het Colombiaanse verzet betaalt de strijd tegen de regering onder andere met inkomsten uit ontvoeringen, ook van Europeanen. Toch weigert de EU deze bewegingen op de lijst van terroristische organisaties te zetten. Een verkeerd signaal, meent Kees Homan.
Met de verkiezing van de rechtse jurist, Alvaro Uribe (49), tot president lijkt in Colombia een nieuwe fase te zijn aangebroken in de al veertig jaar durende burgeroorlog. Vanuit een sterke militaire positie wil hij direct na zijn inauguratie in augustus de rebellerende guerrilla-groeperingen, de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC), het Nationale Bevrijdingsleger (ELN) en de paramilitaire zelfverdedigingsmacht (AUC) hard aanpakken.
De oorspronkelijk communistische FARC bestaat uit naar schatting 18 duizend strijders met nog eens zo'n vijfduizend die deel uit maken van stedelijke milities. De oorspronkelijk op de Cubaanse revolutie geïnspireerde ELN telt zo'n 4.500 strijders. Hiertegenover staan de 14 duizend rechtse paramilitaire strijders van de snel groeiende AUC. Zij komen voort uit de milities van de grootgrondbezitters en de privélegers van de drugsbaronnen.
De AUC wordt deels ondersteund en beschermd door eenheden van het regeringsleger en maakt zich ook schuldig aan grove schendingen van de mensenrechten. De afgelopen maanden is de strijd als het ware 'geprivatiseerd', doordat de belangrijkste gevechten tussen de FARC en de AUC worden gevoerd.
Het reguliere regeringsleger telt 158 duizend man en beheerst minder dan de helft van het Colombiaanse grondgebied. Ofschoon Uribe zegt voorstander te zijn van een diplomatieke oplossing, wil hij het defensiebudget verdubbelen, het aantal beroepsmilitairen fors uitbreiden en de politiemacht vergroten van honderdduizend tot tweehonderdduizend. Ook wil hij een ongewapende burgermacht van niet minder dan een miljoen mensen gaan trainen in preventieve technieken. Onder president Clinton is Colombia, na Israël en Egypte, de derde ontvanger van Amerikaanse militaire hulp geworden.
De FARC, ELN en AUC bekostigen het voeren van de burgeroorlog voor een belangrijk deel uit de drugshandel. Minder bekend is dat de FARC en de ELN ook op grote schaal inkomsten verkrijgen uit ontvoeringen en afpersing. Zo hebben deze guerrilla-groeperingen het afgelopen decennium meer dan 1,5 miljard dollar 'verdiend' aan ontvoeringen. De kidnapping van een parlementslid door de FARC was dan ook de directe aanleiding voor president Pastrana in februari de reeds drie jaar haperende vredesbesprekingen af te breken.
Vorig jaar werden ruim drieduizend mensen het slachtoffer van ontvoeringen. Sinds 1996 hebben bijna een miljoen Colombianen hun land verlaten, bedreigd door afpersing of ontvoering. Ongeveer de helft van de inkomsten uit ontvoeringen is afkomstig van buitenlandse slachtoffers. Naar schatting wordt gemiddeld één buitenlander per vijf dagen ontvoerd. Ongeveer de helft van hen komt uit Europa. Het gaat vaak om medewerkers van multinationals.
De rebellen beginnen meestal met een eis van zo'n tien miljoen dollar of meer, om uiteindelijk na onderhandelingen met zo'n 10 procent te zakken. Vorig jaar september werden er ook bedragen van 9,5 à 7,5 miljoen dollar aan losgeld betaald. Maar ook veel hogere bedragen zijn in het verleden geëist en betaald. Die inkomsten worden onder meer bij Europese banken ondergebracht.
Veelal hebben multinationale ondernemingen zich tegen ontvoeringen verzekerd. Hiscox Group bij Lloyd's heeft zo'n 50 procent van deze markt in Latijns Amerika in handen. Een jaarlijkse premie voor een gezin van vijf personen bedraagt 18 duizend tot 30 duizend dollar, en dekt een losgeld tot een miljoen dollar. Voor een premie van 70 duizend dollar geldt een dekking tot vijf miljoen dollar.
In tegenstelling tot de strijd tegen de drugshandel worden de ontvoeringszaken vaak omgeven door een muur van stilte. Maar vorig jaar heeft Pax Christi Nederland met een internationale anti-ontvoeringscampagne in Europa, dit onderwerp voor het eerst op de agenda geplaatst. De EU is de belangrijkste investeerder in Colombia, maar door de veiligheidssituatie zijn de Europese investeringen de afgelopen jaren fors gedaald. Buitenlandse investeerders en de Colombiaanse maatschappij hebben een gemeenschappelijk belang, namelijk het bevorderen van een goed investeringsklimaat.
Diverse groeperingen in Colombia, onder wie ondernemers, bepleiten dat buitenlandse investeerders niet betalen bij ontvoeringen en afpersing en een gemeenschappelijk beleid dienen te voeren. Betaling leidt alleen maar tot nieuwe ontvoeringen en afpersing. De Britse regering is binnen de EU een discussie begonnen om de richtlijnen van de G-8 van 1998 inzake ontvoeringen als uitgangspunt te nemen voor een gezamenlijk Europees beleid.
Het is tevens van belang dat er richtlijnen worden geformuleerd voor multinationale ondernemingen in Colombia. BP is een voorbeeld van een multinationale onderneming die kenbaar heeft gemaakt dat ze niet zal onderhandelen over losgelden of afpersing. Maar ingewijden stellen dat ook BP wel degelijk betaalt, maar dan als 'hulp aan de getroffen families'.
Opmerkelijk is ook dat terwijl de VS de FARC, de ELN en de AUC op de lijst van terroristische organisaties hebben gezet, Europa onlangs besloot alleen de paramilitairen en niet de guerrilla op de zwarte lijst te plaatsen. Een merkwaardige beslissing en een verkeerd signaal aan de ontvoerders.
Er is dan ook sprake van een tegenstrijdig Europees beleid. Enerzijds zegt de EU het vredesproces te steunen, anderzijds laat de EU toe dat de oorlog in Colombia substantieel gefinancierd wordt door Europees losgeld en afpersingsgeld. Een Europese gedragscode inzake ontvoeringen zou dan ook een grote stap voorwaarts zijn, in het ontmoedigen van ontvoeringen.