Research

Articles

Vredesmissies dienen Nederlands belang

15 Mar 2006 - 00:00
Nederland heeft zijn trekken thuis gehad met deelname aan VN-missies. Maar dat kan geen reden zijn om daaraan niet meer deel te nemen. De verdediging van onze nationale veiligheid en welvaart houdt niet op bij de landsgrens, maar staat of valt bij een goede internationale rechtsorde. In dat kader zijn de zeer beperkte risico's die Nederland in Eritrea loopt aanvaardbaar, meent Kees Homan.De Nederlandse deelname aan de vredesmacht Unmee (United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea) heeft veel discussie veroorzaakt. Opvallend was dat naast het CDA vrijwel alle columnisten en een aantal hoofdredactionelen in de landelijke dagbladen zich tegen uitzending van Nederlandse militairen keerden. De 'gezaghebbend politiek en militair strateeg', oud-minister-president Van Agt, noemde de vredesmissie op tv zelfs 'waanzin'. Ook in deze krant (28 oktober) zien Sandberg en Zijderveld weinig heil in deze vredesoperatie. Sandberg wil de taak van de krijgsmacht zelfs beperken tot de verdediging van het Nederlands territorium tegen indringers van buitenaf en vredesmissies overlaten aan een VN-leger. Zijderveld bepleit daarentegen juist een zwaar bewapende Nederlandse bijdrage aan Unmee, die in staat moet zijn te vechten.

Sandberg is het blijkbaar ontgaan dat er in 1989 in Berlijn een muur is gevallen. Wie naar de huidige militaire krachtsverhoudingen in Europa kijkt kan constateren dat de Navo een overwicht op de Russische Federatie heeft van bijna 3:1. Dan hebben we het nog niet over de kwalitatieve aspecten. Mochten de Russen ooit weer snode plannen koesteren, dan moeten ze hun wapenlimieten van het Verdrag 'Conventionele Strijdkrachten in Europa' gaan overtreden en is er voldoende tijd om tegenmaatregelen te nemen. Gezien de slechte financiële situatie in Rusland en de deplorabele toestand waarin de krijgsmacht verkeert, is een reanimatie van de Russische beer vooralsnog uitgesloten.

De Nederlandse krijgsmacht is er echter niet alleen, zoals Sandberg voorstaat, voor de verdediging van ons grondgebied, maar volgens de Grondwet ook ter behartiging van onze nationale belangen en de bevordering en handhaving van de internationale rechtsorde.

Nederland behoort tot de vijftien rijkste landen ter wereld en is voor zijn nationale economische belangen voor meer dan de helft afhankelijk van het buitenland. Ons land heeft een groot belang bij de ontwikkelingen in overzeese afzet- en investeringsgebieden, de veiligheid van scheepvaartroutes en een gestage toevoer van olie en grondstoffen. Kortom, onze nationale veiligheid en welvaart zijn onlosmakelijk verbonden met het bevorderen van stabiliteit, vrijheid en economische ontwikkeling in de wereld, dus met een goed functionerende internationale rechtsorde. De regering heeft ter ondersteuning van dit veiligheidsbeleid sinds 1993 de ambitie deel te nemen aan vier vredesbewarende operaties tegelijk.

De taak van onze krijgsmacht te beperken tot de verdediging van het grondgebied zou ons land bovendien binnen de Navo en de EU in een isolement brengen. De Navo heeft immers vorig jaar in haar nieuwe Strategisch Concept het uitvoeren van vredesoperaties als nieuwe taak van de alliantie opgenomen. De Navo-presentie in Bosnië en Kosovo zijn hier voorbeelden van. Daarnaast is het huidige streven van de EU naar een Europese defensiecapaciteit voornamelijk gericht op het uitvoeren van vredesoperaties. Het is dan ook politiek volstrekt ongeloofwaardig en onverantwoord om, zoals Sandberg voorstaat, de taak van onze krijgsmacht te beperken tot de verdediging van de lijn Nieuweschans-Maastricht.

Zijderveld geeft er in zijn pleidooi voor een zwaar bewapende vredesmacht die kan vechten er blijk van - en hij is niet de enige in ons land - het onderscheid tussen 'blauwhelm'- en 'groenhelmoperaties' niet te onderkennen. Unmee is een traditionele VN-blauwhelmoperatie, die gebaseerd is op Hoofdstuk VI van het Handvest van de Verenigde Naties. Bij dit type vredesoperatie is er sprake van een conflict tussen staten die een wapenstilstand c.q. vredesakkoord hebben gesloten waar een vredesmacht toezicht op gaat houden. De stationering van de vredesmacht - meestal in een bufferzone - geschiedt met instemming van de Veiligheidsraad (dus met inbegrip van de grote mogendheden) en de voormalig strijdende partijen. De vredesmacht dient verder onpartijdig te zijn en mag alleen geweld gebruiken in geval van zelfverdediging. Het gaat hier dus niet om een militaire actie, zoals Zijderveld bepleit, maar wel degelijk om een politionele actie. Voorbeelden van deze traditionele vredesmachten zijn de huidige vredesmachten in de Sinaï en op Cyprus. Nederland leverde aan eerstgenoemde vredesmacht van 1982 tot 1995 een bijdrage. Aan de vredesmacht op Cyprus neemt ons land sinds 1998 deel.

Op dit soort traditionele vredesoperaties is het bekende gezegde van toepassing: 'Peacekeeping is not a soldier's job, but only a soldier can do it.' In de praktijk is namelijk gebleken dat alleen geoefende militairen over de mentaliteit, de discipline en de vaardigheden beschikken om 'peacekeeping'-operaties uit te voeren, waarbij ze uitsluitend in geval van zelfverdediging de wapens opnemen.

Anders dan het interstatelijk conflict tussen Ethiopië en Eritrea zijn de meeste conflicten tegenwoordig intrastatelijk. Zo waren er vorig jaar 27 gewapende conflicten, waar in elk meer dan duizend doden vielen. Slechts twee conflicten hiervan waren interstatelijk. De ervaringen met vredesoperaties in de jaren negentig hebben geleerd dat na de 'beëindiging' van een intrastatelijk conflict, de partijen zich niet altijd aan een gesloten akkoord houden. In dit soort conflicten hebben we veelal te maken met de 'krijgsheren, bandieten en moreel totaal ontredderde soldateska', waar Zijderveld op duidt. Bij intrastatelijke conflicten is dan ook meestal geen traditionele licht bewapende 'blauwhelm'-vredesmacht, maar een zwaar bewapende 'groenhelm'-vredesmacht benodigd, die een partij die de afspraken schendt weer gewapenderhand tot de orde kan roepen. Dit is niet voor niets de belangrijkste les die uit de ervaringen met de VN-operatie Unprofor in het voormalig Joegoslavië is getrokken. Zo'n robuuste vredesmacht opereert echter op basis van Hoofdstuk VII van het Handvest, waarbij geweld geoorloofd is. Zo moet de vredesmacht Unamsil in Sierra Leone regelmatig gewapenderhand optreden tegen de rebellen, die de gesloten akkoorden regelmatig aan hun laars lappen.

Ethiopië en Eritrea die de afgelopen jaren regelmatig met elkaar hebben gevochten om een grensgebied dat ze elkaar betwisten zijn duidelijk oorlogsmoe en willen vrede. Beide landen zijn financieel vrijwel failliet en de Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds en vele donorlanden (waaronder Nederland) hebben hun hulp opgeschort in afwachting van een vredesregeling. De stationering van Unmee geschiedt dan ook op verzoek van beide landen.

Het grootste 'risico' dat de internationale gemeenschap met Unmee loopt is dat deze vredesmacht, evenals die op Cyprus en in de Sinaï, nog vele jaren aanwezig zal moeten zijn. De kosten daarvan wegen naar mijn mening echter niet op tegen de vele tienduizenden mensenlevens die het gevolg kunnen zijn van een nieuw conflict.