Research

Security and Defence

Opinions

Nederland doet wel degelijk moeite voor cybervrede

25 Apr 2017 - 13:52
Source: U.S. Air Force Academy

Het cyberdomein wordt wel het Wilde Westen van de internationale betrekkingen genoemd. Maar streven naar een nieuw verdrag over cyberwapens is niet automatisch in het Nederlandse belang.

Het artikel ‘Cyberwapenwedloop: Oorlog voeren in het geniep’ van 30 maart schetst prachtig het schimmige gebied waarin militaire cyberoperaties plaatsvinden: er bestaat nauwelijks regelgeving over het gebruik van digitale wapens. Gevaarlijke escalatie en ongelukken liggen op de loer.

Maar het artikel is onterecht kritisch over de ‘vergeten’ Nederlandse inzet om tot ‘cybervrede’ te komen. Inderdaad zet Nederland internationaal niet in op een veelomvattend  verdrag om cyberwapens te beheersen. Maar dat komt louter voort uit realisme: in de huidige omstandigheden zou zo’n verdrag zomaar verkeerd kunnen uitpakken. Veel landen, waaronder grootmachten Rusland en China, zouden onderhandelingen over zo’n verdrag aangrijpen om de politierol van staten over het internet te vergroten. Dit is volstrekt in tegenspraak met Nederlandse kernwaarden als internetvrijheid en privacy. Ook een land als de Verenigde Staten heeft andere belangen dan Nederland en zal de handen vooral willen vrijhouden zolang het qua cyberoorlogvoering ver op andere landen voorloopt.

Als er geen internationale consensus in zicht is die ook maar enigszins bij Nederlandse kernwaarden in de buurt komt, is het effectiever om op minder lastige doelen in te zetten. En dat doet Nederland ook volop.

Nederlandse diplomaten benadrukken voortdurend dat bestaand internationaal recht technologie-neutraal is en dus integraal van toepassing op het cyberdomein. Dit is belangrijk, want veel landen zien liever nieuwe, veel vager gestelde regels die speciaal voor het cyberdomein gelden. Het The Hague Process, dat dient om de toepassing van internationaal recht op cyberoorlogvoering te verduidelijken, is een nuttig Nederlands initiatief op dit vlak.

Nederland probeert daarnaast actief om internationale gedragsnormen en zogenoemde ‘vertrouwenwekkende maatregelen’ inzake cyberwapens te bevorderen. Internationale normen en vertrouwenwekkende maatregelen zijn weliswaar vrijblijvender dan een nieuw wapenbeheersingsverdrag, maar er is makkelijker consensus over te vinden zonder Nederlandse kernwaarden op het spel te zetten. Zulke normen en maatregelen fungeren als drukventielen tijdens oplopende spanningen en vormen een rem op mogelijke escalatie van cyberconflict. Nederland durft op dit vlak zijn nek uit te steken in internationale fora als de Verenigde Naties. Ook de in 2015 georganiseerde Global Conference on Cyberspace in Den Haag was een belangrijke investering in internationale consensusvorming. 

Daarnaast zet Nederland zwaar in op versterking van cyberveiligheid in minder ontwikkelde landen. Door de wereldwijde digitale verknoping is internetveiligheid zo sterk als de zwakste schakel, dus investeren in zwakkere broeders is van groot belang. Een mede door Nederland opgezet initiatief als het Global Forum on Cyber Expertise, gericht op uitwisseling van kennis en expertise, is wat dat betreft niet te onderschatten.

Waar het genoemde artikel kritisch is over Nederlandse investeringen in offensieve cyberwapens, vermeldt het niet de vrij unieke transparantie daarover. Waar de meeste landen hun kaarten voor de borst houden, is Nederland heel open over de aard van onze cybermilitairen en wanneer zij kunnen worden ingezet. Transparantie kan conflict door misverstanden en miscalculatie helpen voorkomen. Nederland vervult hierin een voorbeeldrol die ook aan andere landen wordt voorgehouden. 

Een internationaal verdrag over cyberwapens is op langere termijn zeker het nastreven waard. Op korte termijn is inzet op minder hoogdravende middelen om het digitale Wilde Westen te temmen echter zeker zo pragmatisch.