De Clingendael Strategische Monitor 2025-2030 (StratMon) hanteert een actorcentrische benadering. Daarnaast bestaat er ook een HCSS Strategische Monitor dit jaar, welk een gemeenschappelijk doel deelt met de Clingendael Strategische Monitor (zie kader).
Anders dan in de afgelopen vijf jaar werden in 2024 twee afzonderlijke Strategische Monitors opgesteld. De Clingendael Strategische Monitor en de HCSS Strategische Monitor zijn afzonderlijke maar verbonden producten. De beide Monitors hebben dezelfde doelstelling, maar geven aan die doelstelling vanuit complementaire perspectieven invulling. Hoewel beide Monitors dezelfde geopolitiek bekijken, doen ze door het kiezen van een eigen onderzoeksopzet, inhoudelijke invalshoek en verdiepingen recht aan de complexiteit van deze internationale omgeving. Beide Monitors zijn op zich staande producten die in afzonderlijke onderzoeken gestalte krijgen.
Het gemeenschappelijke doel van beide Strategische Monitors is inzicht te verschaffen in geopolitieke en geo-economische ontwikkelingen die van invloed zijn op de nationale veiligheidsbelangen van Nederland, evenals in de (toekomstige) dynamieken van internationale samenwerking en coalities om die veiligheidsbelangen te bevorderen. Beide Strategische Monitors zijn toekomstgericht en hebben een tijdshorizon van ongeveer vijf jaar. De doelgroep van beide Monitors bestaat enerzijds uit de beleidsmakers van de opdrachtgevende Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie, en anderzijds uit een breder publiek van geïnteresseerden die werkzaam zijn in ons buitenland- en veiligheidsbeleid. Beide Monitors hebben zo een signalerende en informerende functie.
De Clingendael Strategische Monitor contrasteert met voorgaande edities van de StratMon, die juist een thematische benadering hadden. Een actorcentrische aanpak stelt ons in staat om andere aspecten van de snelheid waarmee de geopolitiek transformeert vast te leggen. We zien namelijk niet alleen snelle veranderingen in welke actoren er vandaag de dag toe doen, maar ook in hoeveel actoren ertoe doen, en in wat voor type actoren dat zijn. Deze veranderingen hebben we proberen over te brengen in de selectie en analyse van onze actoren. De selectie van de actoren is in samenspraak met de opdrachtgevers, BZ en Defensie, tot stand gekomen. Verschillende criteria waren hierbij leidend: geografische spreiding, relevantie voor de Nederlandse veiligheidsbelangen, invloed op het wereldtoneel, variatie in het type actoren en gedeelde interesse vanuit de opdrachtgevers. Met behulp van deze criteria zijn we in samenspraak met de opdrachtgever tot de volgende elf actoren gekomen:
De Verenigde Staten
China
India
Indonesië
Zuid-Afrika
Saoedi-Arabië
Rusland
Iran
Venezuela
ISIS
Elon Musk
Deze elf actoren hebben we onderverdeeld in vier categorieën: (1) grootmachten, (2) opkomende spelers, (3) verstorende spelers en (4) onconventionele spelers. We beschouwen de VS en China primair als grootmachten; India, Indonesië, Zuid-Afrika en Saoedi-Arabië als opkomende spelers; Rusland, Iran en Venezuela als verstorende spelers; en ISIS en Elon Musk als onconventionele spelers. Tegelijkertijd geldt dat bijna alle actoren ook elementen bezitten uit andere categorieën. Met secundaire categorieën (cross-tags) willen we deze nuances aanstippen. Zo merken wij Elon Musk bijvoorbeeld primair aan als onconventionele speler en op de tweede plaats als verstorende speler.
Ook al ligt de focus van de StratMon sterk op deze elf actoren, dan nog is het onvermijdelijk om ook stil te staan bij processen die buiten de actoren zelf liggen. Onze actoren opereren namelijk nooit in een vacuüm. Ten eerste hebben zij zich tot een omgeving te verhouden. Net als acteurs begeven ook geopolitieke actoren zich op een (wereld)toneel met bepaalde eigenschappen. Ten tweede vertalen de mogelijkheden van een actor zich pas in eigenlijke invloed via concrete kwesties. Net als in de natuurkunde moet potentiële energie nog omgezet worden in actuele energie, en dat kan alleen via een fysiek medium (beweging, licht, warmte). Concrete geopolitieke vraagstukken vormen op diezelfde manier het medium waardoor de elf actoren hun capaciteiten kunnen omzetten in invloed. In de StratMon hebben wij daarom ruimte gemaakt voor deze twee contextuele elementen (omgeving en medium), zonder dat dat afbreuk doet aan onze actorcentrische benadering.
De omgeving waarin alle actoren opereren noemen wij het “normbeeld.” Het gaat hier vooral om trends en onzekerheden die het geopolitieke wereldtoneel vormen. Dit geopolitieke normbeeld schetsen wij in Hoofdstuk 1. Normbeeld: het geopolitieke wereldtoneel. In Hoofdstuk 2. Actorenschetsen: elf acteurs presenteren wij de elf actoren. Dat gebeurt eerst individueel, in relatief uitvoerige analyses; de “actoranalyses.” Vervolgens gaan we ook in op de belangrijkste interrelaties tussen de actoren. Ten slotte, in Hoofdstuk 3. Scenario’s: acht geopolitieke voorstellingen, behandelen wij het medium die de actoren in staat stelt hun invloed te realiseren.
De drie bovengenoemde delen kunnen het best gelezen worden volgens de metafoor van het theater. Het geopolitieke spel kent een toneel waarop handelingen ten uitvoer worden gebracht (het normbeeld), acteurs die op dat toneel opereren (de actoren), en het spel zelf (de scenario’s waarin de actoren handelen).
We begonnen met het opstellen van een “normbeeld” van het geopolitieke wereldtoneel. Hierin beschrijven wij globaal de belangrijkste trends en onzekerheden die samen de richting van geopolitieke ontwikkelingen bepalen. Denk hierbij vooral aan “de grote lijnen” waartoe iedere geopolitieke actor zich in meer of mindere mate te verhouden heeft. In de basis wordt tien jaar teruggekeken om vijf jaar vooruit te kijken.
In de schets van het normbeeld wordt veelal geleund op recente publicaties van andere organisaties alsook de voorgaande Strategische Monitor. Op dit onderdeel niet vernieuwend proberen te zijn heeft drie grote voordelen. Ten eerste bespaart het kostbare tijd om onze eigen “innovaties” beter uit te kunnen voeren. Ook worden onze eigen conclusies beter gefundeerd door met breder gedeelde aannames te beginnen. Ook al wordt het normbeeld grotendeels gedestilleerd uit andere studies, dan nog kunnen wij met nadruk en selectie een zekere sturing geven. Onze prioriteit ligt daarbij op het benadrukken van die ontwikkelingen die relevant zijn voor de elf actoren in onze studie.
Hier zoomen wij in op de elf geselecteerde actoren die allen een rol zullen spelen op het wereldtoneel van het eerste deel. Onze analyses worden gebaseerd op DESTEP-geleid literatuuronderzoek, op vragenlijsten ingevuld door diverse experts, en op aanvullende interviews. Onze actoranalyses bestaan uit twee losse delen. In het eerste deel schetsen we de actoren afzonderlijk. In het tweede deel schetsen we op hoofdlijnen de interrelaties tussen de 11 actoren.
Het uitgangspunt bij het eerste deel van de actoranalyses is een variant op de ICA-analyse (Intenties, Capaciteiten, Activiteiten), die Clingendael vaker heeft gebruikt. In plaats van ICA hanteren wij dit jaar WICA als uitgangspunt van de actoranalyses. De “W” staat daarbij voor Wereldbeeld. In lijn met onze nadruk op de wereldwijde narratievenstrijd willen wij in deze StratMon namelijk extra aandacht besteden aan de denkbeelden van de actoren. Dit totaalbeeld vormt de input voor het foresight-element bij de individuele actoranalyses.
In het tweede deel van de actoranalyses staan we stil bij de interrelaties tussen de actoren. De actoren opereren namelijk zelden alleen, maar vaak in tegen- en samenspel. Deze splitsen wij uit in het politieke, militaire en economische domein: wat zijn de belangrijkste en meest inzichtrijke politieke, militaire en economische vormen van interactie op het wereldtoneel? Ook schenken we aandacht aan de formelere samenwerkingsverbanden (zoals de Shanghai Cooperation Organization en de Quadrilateral Security Dialogue) waar onze actoren bij aangesloten zijn.
De scenario’s – ook wel geopolitieke voorstellingen genoemd – zijn vormgegeven aan de hand van twee geopolitieke vraagstukken. Deze zijn voortgekomen uit de inzichten opgedaan bij het opstellen van het normbeeld en de actoranalyses. In plaats van een “thema” – wat een breed domein suggereert zoals oorlog, economie, technologie, etc. – willen wij twee concrete kwesties uitlichten. Deze zijn geselecteerd op basis van een zevental criteria: variabiliteit in de scenario’s, thematische breedte, behapbaarheid, toekomstgerichtheid, relevantie voor de opdrachtgevers, originaliteit binnen de internationale betrekkingengemeenschap en met name Clingendael, en pertinentie voor de elf geselecteerde actoren. De vraagstukken zijn:
Hoe zouden nieuwe (meer ad hoc) samenwerkingsverbanden eruit kunnen gaan zien de komende vijf jaar? (Scenario’s 1 t/m 4)
Hoe zou een verder intensiverende narratievenstrijd eruit kunnen gaan zien de komende vijf jaar? (Scenario’s 5 t/m 8)
In de scenario’s worden verschillende plausibele toekomsten voor de komende vijf jaar geschetst waarin verschillende selecties van onze acteurs met elkaar (inter)acteren. Deze stoekomstverkenningen zijn nadrukkelijk geen voorspellingen (forecasts) maar voorstellingen (foresights) van plausibele toekomsten. In de scenario’s ligt daarbij de focus steeds op verschillende trends en ontwikkelingen. Hierbij is inspiratie gehaald uit het normbeeld, de actoranalyses alsook uit een vijftal inhoudelijke sessies met experts en overheidsmedewerkers met kennis en expertise op belangrijke geopolitieke thema’s en de geselecteerde actoren.
Bij de systematische ontwikkeling en uitwerking van de acht scenario’s is gebruik gemaakt van een morfologische analyse.[143] In de verschillende scenario’s wordt daardoor de focus (spotlight) steeds op een andere set aan (f)actoren gericht. Hierdoor krijgen alle geselecteerde actoren in minimaal één scenario substantiële uitwerking. Ook ontstaat er hierdoor een brede variatie van inhoudelijke uitwerkingen in de uitgewerkte scenario’s. Belangrijke thema’s die zo een plaatsje kunnen krijgen zijn onder meer de invloed van grootmachtcompetitie, de samenwerking tussen middenmachten, de inzet van hybride middelen, het samenklonteren van verstorende spelers en de impact van opkomende en disruptieve technologieën. Daarbij is bewust de keuze gemaakt om Nederland de EU en de NAVO – Nederlands belangrijkste samenwerkingsverbanden – geen actieve rol in de scenario’s te geven. Dit kan kunstmatig aanvoelen, maar dient een doel. In de analyse kan zo uitgewerkt worden hoe Nederland in/en de EU/NAVO zich tot desbetreffende scenario’s zou kunnen verhouden. De scenario’s vertegenwoordigen geen contrasterende toekomstmogelijkheden die elkaar per definitie uitsluiten. In andere woorden: combi’s van (elementen uit) scenario’s kunnen zich in de realiteit gelijktijdig en/of in samenhang met elkaar voordoen.