Over de acht toekomstverkenningen heen zijn er ook verschillende lessen te trekken over het geopolitiek changement dat zich de komende jaren kan voltrekken. Hoog over zijn er vier belangrijke inzichten:
In een meer bipolaire wereld is het voor middenmachten moeilijk hun eigen zin door te drijven (strategisch forceren), zij het op politiek, militair of economisch vlak. Vooral voor de unilaterale inzet van militaire machtsinstrumenten wordt weinig ruimte gelaten door de twee machtspolen. Behalve als de middenmacht in kwestie tegelijkertijd inzet op het vergaren van ruggensteun vanuit de grootmacht(en) via politieke en diplomatieke weg (Scenario’s 3 & 4). Alleen de sterkste middenmachten kunnen eigenstandig de ruimte innemen om de eigen wil aan anderen op te leggen in een (meer) bipolaire toekomst, en zelfs dan kan de prijs hoog zijn (Scenario 4). Voor de middenmachten die niet dit brede instrumentarium ter beschikking hebben, vormt een combinatie van strategische weerbaarheid, onmisbaarheid, balanceren en – bovenal – hechte samenwerking met lotgenoten de sleutel tot handhaving in een wereld van harde grootmachtrivaliteit.
Inzoomend op de twee grootmachten van deze studie, de VS en China, verdient één ontwikkeling speciale nadruk, vanwege de mate waarin verscheidene (kleinere) middenmachten zich voorstaan op hun economische troefkaarten. In zowel Amerikaanse als Chinese beleidskringen wordt om (uiteenlopende) ideologische redenen minder waarde gehecht dan in het verleden aan financiële stabiliteit en economische groei. Daar komt bij dat er een verschuiving gaande is in de relatieve waarde die wordt toegekend aan economische groei an sich ten opzichte van het bredere nationale-veiligheidsbelang. De grootmachten tonen zich bereid verliezen op korte termijn te nemen om op lange termijn meer autonoom te kunnen zijn in strategische industrieën. Naarmate die ideologische trend zich doorzet, kunnen economische instrumenten minder effectieve beschermingsmechanismes blijken dan gehoopt (Scenario’s 4 & 8).
De scenario’s maken verder inzichtelijk dat een (meer) multipolaire toekomst op allerlei verschillende manieren kan worden ingericht, die niet allemaal even voordelig uitpakken voor (vooral zwakkere) middenmachten. Een orde van verschillende blokken is voorstelbaar, die tegen elkaar strijden in zowel het economische als het militaire domein (Scenario’s 5 & 6). Of een anarchische wanorde van ongeremde competitie in een war of all against all (Scenario’s 2 & 6). Of toch een heropleving – mogelijk in onverwachte of schokkende vorm – van het multilaterale ideaal van consensusvorming onder min of meer gelijkgestemden (Scenario 1). Eén scenario in het bijzonder maakt daarnaast inzichtelijk dat een multilaterale toekomst niet multipolair hoeft te zijn. Multilaterale systemen kunnen evenwel geïnstrumentaliseerd worden in een bipolair steekspel tussen de grootmachten (Scenario 3), hoewel in dat geval niet meer te spreken valt over een mondiaal multilateraal systeem. Hoe het multilaterale stelsel er ook uit komt te zien, balanceren, samenwerken maar ook forceren zijn zeer relevante strategische instrumenten die alle een plek zullen hebben in de geopolitiek.
Multipolariteit heeft een goede naam bij verscheidene belangrijke strategische partners van Nederland, alsook binnen onderdelen van de Nederlandse beleidskaders. Daar is goede reden voor. Een minder hiërarchisch (democratischer) wereldtoneel dat in vreedzaam overleg, bijvoorbeeld in multilaterale fora, tot duurzame afspraken komt, is een aantrekkelijk vooruitzicht. Toch laten de scenario’s zien dat er voor een kleinere speler zoals Nederland wel degelijk risico’s kleven aan een multipolarisering van de macht. Voor actoren zonder aanzienlijke en soevereine militaire machtsmiddelen kan een relatief anarchische invulling van de multipolariteit juist leiden tot grotere onveiligheid. Een bipolaire orde is hiërarchisch(er) en zal waarschijnlijk op andere waarden gebaseerd zijn dan de onze. Een meer bipolair systeem kan grotere stabiliteit en voorspelbaarheid opleveren, ook voor de Nederlandse veiligheid (die voor een aanzienlijk deel gestut op de economische veiligheid van de onmisbaarheid van bepaalde bedrijven). Voor Nederland in het bijzonder kan er in een dergelijke toekomst sprake zijn van een grotere wrijving tussen normatieve principes en veiligheidsbelangen.
Coöperatie en non-coöperatie bestaan in elk scenario tot op zekere hoogte naast elkaar. Er bestaat geen wereld waarin niet wordt samengewerkt of waarin er geen sprake zal zijn van confrontatie. De mate waarin middenmachten invloed kunnen uitoefenen is deels afhankelijk van de geopolitiek van de grootmachten, maar ligt deels ook in hun eigen handen. Hoe meer middenmachten kunnen samenwerken, hoe meer zij de wereldpolitiek ook collectief vorm kunnen geven, en daarmee ook de structuren kunnen beïnvloeden waarbinnen de grootmachten opereren. Het is een dynamische interactie tussen groot- en middenmachten, ondanks de machtsasymmetrie.
In een meer non-coöperatieve wereld, volstaan louter politieke of economische machtsinstrumenten niet meer, en vertoont zelfs de combinatie van politieke en economische machtsinstrumenten een wisselvallig succesbeeld. Middenmachten die hopen op een relatief vreedzame multipolaire wereld gebaseerd op normen als wederzijds respect kunnen ten onder gaan als multipolariteit toch competitiever en gewelddadiger blijkt dan gehoopt (Scenario 2). In een bipolaire non-coöperatieve toekomst kunnen politieke en economische machtsmiddelen eveneens ontoereikend zijn. Zo kan de rol van de EU uitgespeeld dreigen te raken als het bijvoorbeeld geen verdere militaire afschrikking en machtsprojectie ontwikkelt (Scenario 4).
In een wereldwijde tweescheiding van economie en het financiële systeem kan de kleinere middenmacht met een beperkte variëteit aan politieke en economische troefkaarten, zoals Nederland, het onderspit delven. De grotere middenmacht met een breder politiek en economisch instrumentarium, zoals Duitsland, heeft kans zich in die wereld te handhaven door grotere zelfvoorziening (Scenario 8). In een non-coöperatieve wereldorde is het dus onzeker of politieke en economische machtsmiddelen zullen volstaan in een competitieve geopolitiek. Dit hangt af van de grootte en sterkte van de middenmacht, de mate waarin zij hun krachten weten te bundelen en de mate waarin de wereldorde op zijn kop wordt gezet.
In een wereld waarin de neiging tot (middenmacht)coöperatie prevaleert worden in het algemeen spelers beloond die kunnen optrekken in een veelvoud aan internationale fora. Daarbij speelt de kwaliteit en diepgang van deze fora uiteraard een grote rol. Middenmachten kunnen proactief trans-, supra- en internationale instituties opzoeken om deze in lijn te brengen met de eigen doelen, zoals: privaat-publieke partnerschappen en commerciële netwerken (Scenario 1), meerdere multilaterale systemen (Scenario 3), criminele netwerken (Scenario 6) en verschillende financiële autoriteiten (Scenario 7). Multi-alignment is kansrijk, zoals Turkije en India laten zien (Scenario 4), maar is niet zonder risico’s. De risico’s zijn hier voornamelijk de inflatie of verdunning zodra leden ook vrijelijk in andere fora deelnemen (Scenario 5) en de overlappende verplichtingen waaraan middenmachten zich gecommitteerd kunnen vinden (Scenario 3). De kernvraag is en blijft voor middenmachten – zeker voor de kleineren – op wie ze daadwerkelijk kunnen bouwen wanneer het geopolitiek écht heet onder de voeten wordt (Scenario 4).
Politieke beïnvloeding – via diplomatie, soft power en psychologische druk – blijft te allen tijde belangrijk in een steeds verder hybridiserend conflictlandschap, ook in wereldordes gekenmerkt door non-coöperatie. Zelfs (of misschien juist) in een scenario van enorme machtsconcentratie en brute machtspolitiek, kan subtiele beïnvloeding een potent (midden)machtsinstrument blijken (Scenario 4).
Nederland heeft belangrijke troefkaarten in handen: bijvoorbeeld enkele strategisch onmisbare bedrijven en een sterke diplomatieke en soft power traditie. Uit de scenario’s blijkt dat diplomatieke slagkracht in alle geschetste toekomsten een nuttig machtsinstrument is – zelfs in een zeer hiërarchische, bipolaire orde. Ook de Nederlandse productie van technologisch hoogwaardige militaire of dual-use goederen komt in elke toekomstverkenning van pas (met gedeeltelijke uitzondering van het scenario van een ernstige financieel-economische crash als gevolg van het barsten van een techbubbel). Toch is het beeld niet eenduidig geruststellend. Strategisch onmisbare bedrijven blijken in sommige van de scenario’s niet genoeg om een middenmacht te behoeden voor het geopolitieke noodlot (zie Taiwan in scenario 4). Ook wordt duidelijk dat diplomatieke macht het best tot uitdrukking komt bij spelers die weten op te trekken in meerdere fora, zonder dat zij ‘vast’ zitten in één diplomatieke of politieke rol. Ten slotte wordt duidelijk dat ook offensieve militaire machtsmiddelen nodig zijn in sommige toekomsten om spreekwoordelijke en letterlijke kapers aan de kust op afstand te houden. Is hoeverre beschikt Nederland in de toekomst over afdoende afschrikkingsmiddelen, in zowel het fysieke als het digitale domein, om zich te verweren op een ruiger wereldtoneel?[4]
Zodra alle scenario’s in samenhang worden beschouwd, vallen een aantal zaken op wat betreft de strategische instrumenten die door middenmachten ingezet kunnen worden.
Weerbaarheid en samenwerking blijken in alle toekomstverkenningen binnen deze studie een essentieel onderdeel uit te maken van een succesvolle middenmacht (zie ook Figuur 7). Om niet opgeslokt te worden én om de eigen beleidsprioriteiten te verwezenlijken, lijken twee zaken van groot belang. Allereerst de mate waarin landen bereid zijn om mee te bewegen met wat de onstuimige ontwikkelingen in een nieuw geopolitiek tijdsgewricht van hen individueel en in gezamenlijkheid vragen en zich daarin pro-actief en preventief op te stellen. Ten tweede speelt de mate waarin een land beschikt over onwrikbare cohesie tussen burgers (op nationaal niveau) en bondgenoten (op internationaal niveau) een cruciale rol. Deze twee imperatieven zijn nauw met elkaar verbonden: alleen door onderlinge solidariteit ontstaat gezamenlijke bereidheid om, zelf of voor een ander, klappen op te vangen. De uitdaging is dat incasseren van impact het opbrengen van solidariteit kan bemoeilijken, vooral wanneer het de welstand van een ander betreft. Succes onder niet-grootmachten hangt nauw samen met zowel de hechtheid als de omvang van de onderlinge samenwerking.
“Onmisbaarheid” is een nuttig instrument, zeker voor kleinere middenmachten. Tegelijkertijd is dit instrument ook kwetsbaar (zie ook Figuur 7). Met TSMC heeft Taiwan bijvoorbeeld een belangrijke troef in handen om niet aan China opgegeven te worden (Scenario 8). Maar door de middenmachtstatus voornamelijk aan één concreet, tastbaar strategisch middel te ontlenen, kan deze status met een misstap of plotselinge ontwikkeling, zoals een innovatieslag elders, een bedrijfsspionagecampagne of een geforceerde deal, tenietgedaan worden (Scenario 4).
Bij samenwerking als strategie valt een kanttekening te plaatsen. Hoewel samenwerken essentieel is voor kleine landen en middenmachten, is het niet raadzaam om in dit veranderlijke en belangengedreven tijdsgewricht te veel te moeten leunen op anderen. Hoe ongelijker het samenwerkingsverband, hoe groter de veiligheidsrisico’s die het op kan leveren. Door volledig te leunen op één samenwerkingsverband kunnen middenmachten klem komen te zitten als dat verband verschuift in een richting die zij zelf als risicovol of dreigingsvol ervaren (Scenario 4).
Als welvarend doorvoerland, blootgesteld aan de grillen van internationaal handelsverkeer en geacclimatiseerd aan decennia zonder oorlogsdreiging, is Nederland in de breedte wellicht minder weerbaar dan landen die autonomer zijn.
Strategische onmisbaarheid is, zoals eerder al benoemd, een instrument waar Nederland op economisch gebied graag gebruik van maakt. Dat terwijl dit instrument niet in alle toekomsten even effectief zal zijn. Nationale weerbaarheid lijkt daarentegen in alle geschetste scenario’s een positief effect te hebben. En juist die weerbaarheid, middels geografische ligging, sociaal-maatschappelijk incasseringsvermogen en de zelf- en samenredzaamheid van burgers, is juist weer relatief laag in Nederland. Deze twee strategische vaatjes – commerciële onmisbaarheid en weerbaarheid – communiceren tot op zekere hoogte met elkaar. Dezelfde factoren die van Nederland een hoogtechnologische, welgestelde, ‘onmisbare’ hub maken, sterk verweven met de wereldeconomie, verminderen ook deels de nationale weerbaarheid.
De geopolitieke landschappen die uit de acht scenario’s naar voren komen, worden gekenmerkt door een brede diversiteit aan machtsfactoren en spelers. Zelfs in de scenario’s waar twee supermachten de grootst voorstelbare stempel op het wereldtoneel weten te drukken, is er nog altijd handelingsperspectief die sommige spelers in staat stellen meer beleidsautonomie naar zichzelf toe te trekken dan anderen (Scenario’s 4 & 8). Het gehele machtsspectrum van middenmachten doet ertoe. Ook kleinere middenmachten zijn interessant om in de gaten te houden vanwege hun vindingrijkheid en aanpassingsvermogen alsook de unieke combinaties aan strategische instrumenten en domeinen die deze spelers aanwenden.
Het middenmacht- en zelfs het grootmachtschap kunnen door omstandigheden en keuzes worden verspeeld. Brazilië probeert in één scenario een onafhankelijk geluid te maken in een multipolaire wereldorde maar wordt pijnlijk op het cruciale belang van militaire projectiemacht gewezen door de VS (Scenario 5). Indonesië committeert zich (al dan niet noodgedwongen) aan het Chinese machtsblok in een bipolaire orde, maar ziet zich vervolgens gedwongen om arbeidskrachten te leveren om het vuile werk in de Chinese industriële productie op te knappen (Scenario 4). Rusland en Iran zetten nu vol in op ontwrichting onder de auspiciën van Chinees aanvoerderschap, maar kunnen daardoor in de kou komen te staan als China zelf een mondiale machtsspil wordt (Scenario 7). Zelfs de VS kan zichzelf geconfronteerd zien met een dreigend verlies van (grootmacht)status, als beleidskeuzes structureel nadelig uitpakken en de dynamieken op het wereldtoneel multipolariserend genoeg blijken (Scenario 5).
Naast neerwaartse bewegingen in geopolitieke macht zijn er ook belangrijke opwaartse bewegingen. Het is niet verstandig om de potentieel snelgroeiende spelers, zoals bijvoorbeeld Chili, Vietnam en Senegal, te onderschatten (Scenario 1). Ook aan de bovenkant van het middenmachtsspectrum zijn opwaartse dynamieken. India, de Golfstaten en in mindere mate Frankrijk en Turkije zijn goede voorbeelden van spelers die via een gevarieerd arsenaal aan strategische instrumenten in verschillende scenario’s juist aan territoriale, economische of militaire dominantie kunnen winnen (Scenario’s 2, 3, 4, 5).
Als kleinere speler is Nederland ook een potentieel onderschatte actor op het wereldtoneel. De horizontaliserende dynamieken die Senegal, Chili en Vietnam in Scenario 1 extra kansen geeft, gelden ook voor Nederland, met zijn relatief digitaal geletterde en inventieve bevolking en hoogwaardige (digitale) infrastructuur. Vergrijzing en ondermaatse investering in R&D zijn echter trends op de langere termijn die de innovatiekracht en machtsprojectie van Nederland kunnen schaden. Ook door geopolitieke druk van grotere spelers kan een actor als Nederland snel aan relevantie inboeten. Het bredere foresightinzicht dat van de beweeglijkheid van de mondiale machtsbalans uitgaat is: de huidige verhoudingen zijn allesbehalve permanent. Nederland heeft de potentie zich te ontwikkelen tot een soort Singapore van Europa maar het kan ook afglijden en zijn middenmachtstatus uit handen geven. De (open) vraag voor beleidsmakers is hoe erg dat tweede wel of niet gevonden wordt en hoe ver men bereid is te gaan om het eerste te verwezenlijken.
Ten slotte de vraag waar dit analyse-hoofdstuk mee begon: hoe zit het met de middenmachtstatus van Nederland? Het korte foresightantwoord hierop is: dat is (nog) onbepaald en afhankelijk van zowel externe factoren waarop Nederland geen invloed heeft alsook interne en externe factoren waar Nederland wel invloed op heeft.
Nederland heeft een goede internationale positie en kan gekwalificeerd worden als een (kleinere) middenmacht. Op het gebied van welvaart en levensstandaard behoort Nederland tot de wereldwijde top. Maar de gunstige relatieve positie is niet vanzelfsprekend. In meerdere domeinen staat Nederland tegenover uitdagingen die deze strategische positie (in de toekomst kunnen) schaden.
Nederland heeft een sterk uitgangspunt voor het inzetten van een aantal instrumenten uit de gereedschapskist van middenmachten, bijvoorbeeld op het gebied van strategische samenwerking. Zo speelt Nederland een prominente rol in meerdere economische samenwerkingsverbanden (EU, Benelux) en militaire coalities (NAVO, JEF). Ook strategische onmisbaarheid is een troef. Nederland huisvest niche kennis en kunde waarmee het een onmisbare rol vervult in mondiale waardeketens en kennisuitwisselingen. Zo is ASML, ’s werelds belangrijkste fabrikant van lithografische printers, een cruciale schakel in de chipproductie. Thales en TNO maken zeer geavanceerde radars, die een belangrijk onderdeel zijn in de wapensystemen van veel internationale spelers.
Momenteel staat de Nederlandse economie er (nog) goed voor. Het BBP per inwoner was in 2024 meer dan anderhalf keer hoger dan het gemiddelde binnen de Europese Unie. Maar deze luxepositie kan verder onder druk komen te staan. Nederland kampt met een dalend concurrentievermogen. Waar Nederland in 2021 nog op de vierde plek stond van de World Competitiveness Ranking van het IMD, is het anno 2025 afgezakt naar de tiende plaats. Er zijn structurele binnenlandse uitdagingen die de groei belemmeren, zoals netcongestie en een krappe arbeidsmarkt. Daarnaast beïnvloeden beleidskeuzes het Nederlandse vermogen om te innoveren. Zo zijn de research & development-uitgaven lager dan de Europese doelstelling van 3 procent van het BBP. Als de trend van het teruglopende concurrentievermogen doorzet, kan deze op de middellange termijn het geopolitieke gewicht van Nederland op het wereldtoneel aantasten.
Op het gebied van defensie heeft de grootschalige invasie van Oekraïne door Rusland een grote koerswijziging teweeggebracht. Forse verhoogde defensie-uitgaven betekenen waarschijnlijk dat Nederland in de toekomst over meer militaire capaciteiten beschikt. Het is tegelijkertijd onzeker in welke mate de defensieplannen de komende jaren gematerialiseerd gaan worden en in hoeverre dit de relatieve positie van Nederland zal verbeteren, aangezien ook andere landen nu meer geld besteden aan hun defensieve en offensieve capaciteiten.
Een middenmacht kan ook zijn hand overspelen. De Nederlandse ingreep bij Nexperia in 2025, en het daaruit voortvloeiende conflict met China, toont de beperkingen van een kleinere middenmacht als Nederland om zijn eigen (economische) belangen te forceren. Daarnaast toont het de gevolgen van het niet of te laat ondervangen van een strategische afhankelijkheid door een gebrek aan diversifiëring van toeleveringsketens.
De middenmachtstatus van Nederland is geen toekomstige zekerheid. Zonder de verdediging en verbetering van zijn strategische positie zou Nederland op den duur tot een kleine macht verworden. Het behouden of verbeteren van Nederlands internationale positie vereist onder meer strategische visie, “toekomstenproof” beleid en een hoge mate van weerbaarheid.