Met kleine stappen wist Washington het Taiwanese TSMC beetje bij beetje over te halen om de bedrijfsstrategie steeds meer op de VS te oriënteren. Drie maanden nadat Amerikaanse partijen toegang werd gegeven tot TSMC’s belangrijkste intellectueel eigendom, werd Taiwan binnengevallen door de Volksrepubliek China. De VS hielden zich afzijdig omdat zij, na ellenlange en getergde geheime diplomatieke onderhandelingen, hadden afgesproken dat China Taiwan mocht “hebben” als alle Chinese posities (diplomatiek, economisch en militair) in Latijns-Amerika aan de VS overgeleverd zouden worden. Met de val van Taiwan werd een nieuwe wereldorde ingeluid. Een bipolaire orde van wereldrijken waarin twee éénentwintigste-eeuwse supermachten elk op hun eigen manier imperialistische dynamieken uit een ouder tijdperk terug in het leven proberen te roepen.

In eerste instantie is de internationale reactie op China’s invasie van Taiwan zeer fel – deels ingegeven door paniek bij staten die van oudsher hebben geleund op de VS, China of allebei. Buiten Europa zijn het Zuid-Korea, Singapore, Indonesië, Japan en de Filippijnen die zich opwerpen als pleitbezorgers van het internationaal recht (en als verdedigers van de verstoorde status quo in China’s maritieme invloedssfeer). Zij verzetten zich tegen de heimelijke afspraken van de VS en China. Binnen die informele, voorlopige verstandshouding, met Taiwan als schokkend debuut, overheerst het idee van de invloedssferen. De kinetische supermachtenstrijd wordt vooral gevoerd in proxy-oorlogen tussen cliëntstaten op de breuklijnen tussen de invloedssferen en in de global commons – in cyberspace, de ruimte, diepe zeeën en poolgebieden. Daar worden immers de grondstoffen van de toekomst verworven – onder meer data, bytes en een haast oneindige voorraad aan zeldzame aardmetalen. Voor de VN en andere multilaterale instituties is binnen deze grootmacht-koehandel geen plaats.

Conflictbeslechting is in deze wereld niet langer een multilateraal overleg, maar een supermacht(en)decreet. Middenmachten worden min of meer vrijgelaten om te doen en laten (en annexeren) wat ze willen, zolang deze conflicten maar niet de belangen van de supermacht schaden. ‘Belangen’ gelden hier als territoriaal (destabiliseert het conflict de invloedssfeer van de supermacht?) en als capacitair (brengt het conflict de economische en technologische doorontwikkeling van de supermacht in gevaar?). De meest geavanceerde technologie is voorbehouden aan de VS en China, zo luidt de stille afspraak. Middenmachten mogen, bij de gratie van bovenaf, vrijelijk hun middle technology-sectoren ontwikkelen. Met auto’s, handwapens, granaten, diodes en transistoren mogen de middenmachten hun brood verdienen. High technology zoals geavanceerde AI, quantumtechnologie en ruimtevaart is echter off-limits voor middenmachten en aanleiding voor actieve inmenging van bovenaf. Zeldzame grondstoffen voor de productie van zulke geavanceerde technologieën worden door de VS en China veiliggesteld, in eerste instantie binnen de eigen invloedsfeer. In sommige grondstofrijke landen die (nog) niet onder één van de invloedsferen vallen, met name kleinere landen in Centraal Afrika, manifesteert grootmacht-rivaliteit zich hevig in de vorm van proxy- en hybride oorlogsvoering.

Binnen de Amerikaanse invloedssfeer – bestaande uit Noord- en Latijns-Amerika, Europa en delen van Afrika – wordt een hiërarchie ingericht volgens twee overlappende principes. Ten eerste geldt een kapitalistisch “pay-to-play principe.” Zodra staten militair materieel van Amerikaanse makelij willen inzetten, moeten zij betalen voor de ‘gespeelde uren’ of een significante investering in de VS doen, omdat de desbetreffende wapensystemen anders met een druk op de knop vanuit het Pentagon worden uitgeschakeld. Ten tweede geldt binnen de Amerikaanse invloedssfeer een etnisch-cultureel principe. Alle staten die door de State Department worden aangemerkt als onderdeel van “de westerse beschavingssfeer” kunnen rekenen op hoge kortingen en snellere akkoorden vanuit het Pentagon voor de activatie van Amerikaanse wapensystemen. Daarnaast hebben zij een speciaal voordeel in de aankoop van zulke wapensystemen. Terwijl de meest geavanceerde systemen uitsluitend voor Amerikaans gebruik zijn, kunnen “beschavingsgenoten” verouderde of actief downgraded wapensystemen inkopen. De overige landen in de Amerikaanse invloedssfeer hebben alleen toegang tot goedkope en slordig geassembleerde “light-versies.” Naast min of meer vaststaande beschavingsgenoten in Europa, Canada en Oceanië blijkt Washington echter flexibel om te gaan met dit begrip in Latijns-Amerika, Azië en de Kaukasus, waarmee het op strategische wijze staten kan belonen of straffen met statusverhoging of -verlaging.

De Chinese invloedssfeer is ingericht als een soort hemisferische planeconomie. De Chinese overheid houdt met noodpakketten en selectieve investeringen de regeringen van “bevriende landen” overeind. Zodra deze regeringen diplomatiek in verzet komen, wordt de economische kraan dichtgedraaid. Op deze manier worden de regeringen van onder andere Pakistan, Thailand, Iran en Indonesië gestut door Beijing. In ruil voor de patronage moeten deze landen ruwe grondstoffen leveren en arbeidskrachten mobiliseren om in China’s binnenlandse en overzeese productieketens onder hoogtechnologische surveillance te werken. De mijnbouw, de olie-industrie, de agrarische sector: het zijn sectoren waarvoor een groeiend deel van de Han-Chinezen in China zelf inmiddels te oud en rijk is. Ze laten dit zware werk graag opknappen door arbeiders uit “bevriende landen” en binnenlandse etnische minderheden.

Op die manier verschillen de invloedssferen sterk, maar er is één belangrijke gemene deler: de VS en China hechten allebei enorme waarde aan hun eigen beschaving. Daardoor hebben andere landen groot belang bij een sterke, permanente lobby aan het ‘keizerlijk hof’ van ofwel het Witte Huis dan wel de (weer in ere herstelde) Verboden Stad. Tot op zekere hoogte is conflictbeslechting in eigen voordeel een spel van beïnvloeding, intrige en psychologische manipulatie geworden. Om het groene licht te krijgen voor militaire acties tegen buurlanden moet de zittende macht worden gepaaid. Wie de taal en concepten van de metropool het best kan beheersen – wie ego’s het best kan strelen en het hof het best kan vermaken – kan daarmee bijvoorbeeld goedkeuring winnen voor gebiedsuitbreiding, of simpelweg aan het langste eind trekken in een dispuut dat voor arbitrage naar Washington of Beijing wordt gebracht. Spindoctors, influencers, sociale mediadeskundigen, literaire wetenschappers en historici, entertainers en topmodellen worden actief gerekruteerd door de middenmachten om de beeldvorming aan één van de hoven, of beide, te beïnvloeden. Landen zoals Indonesië en Rusland investeren kapitalen in het opzetten van Chinese taal- en cultuurcentra.

Rusland verkrijgt een speciale positie in het nieuwe imperialistische stelsel: het wordt door de twee enige mondiale supermachten de VS en China min of meer met rust gelaten. Niet alleen vanwege het behendige gebruik van Chinese concepten, maar ook vanwege de omvang, ligging en militaire en nucleaire kracht van deze imposante middenmacht. De voorwaarde bij dit impliciete vergelijk is wel dat Rusland zijn eigen imperialistische ambities in Centraal-Azië en in Europa ten westen van Oekraïne, Moldavië, Wit-Rusland en de Baltische Staten laat varen.

Frankrijk, India en Turkije proberen het hevigst weerstand te bieden tegen het nieuwe imperialisme. Als middenmachten die hun streven naar beleidsautonomie na Rusland het verst hadden doorontwikkeld vóór “de val van Taiwan” weten zij de macht van Washington en Beijing lang buiten de deur te houden. Frankrijk, India en Turkije behouden grote beleidsautonomie dankzij een combinatie van nucleaire wapens (India en Frankrijk), eigen defensieproductie (Turkije en Frankrijk) en geografische omvang en ligging (India en Turkije). Voor alle drie is de prijs echter zeer hoog. Alleen met een gemilitariseerde samenleving, zonder de schijn van open internet, constant belaagd door hybride aanvallen vanuit de supermachten en met een ultranationalistische bevolking onder hoogspanning, weten zij min of meer soeverein te blijven.