De VS zijn onverminderd doorgegaan met een wispelturig sanctie- en heffingenbeleid als geopolitiek wapen. Waar de reactie van de rest van de wereld aan het begin van Trumps tweede presidentiële termijn geschokt was, wordt er in de loop der jaren geschakeld. Het Amerikaanse economische wapen blijkt snel botter te worden als staten – onder aanvoering van middenmachten – handels- en monetaire blokken beginnen te vormen om zich te weren. Aan het begin van de jaren 2030 is duidelijk dat de VS aan het kortste eind trekt als de Amerikaanse economie tekenen van structurele krimp vertoont. Met de Amerikaanse contractie komen ook andere economieën in de problemen, de Chinese en Europese voorop. Anders dan de VS en Europa ziet China naast risico’s vooral ook kansen in de opkomst van regionale handelsblokken met protectionistische trekjes: door achter de schermen actief betrokken te blijven bij de totstandkoming van deze blokken hoopt China de vorming van een multipolaire, gefragmenteerde wereld in eigen voordeel om te buigen.
Door de alarmerende vooruitzichten voor de Amerikaanse economie komt de groei in de wereldeconomie krakend en piepend tot stilstand. Bovenop de wispelturigheid van de Amerikaanse importheffingen betekent de Amerikaanse stagnatie een extra prikkel voor andere landen om versneld weg te bewegen van de dollar en op zoek te gaan naar andere afzetmarkten dan de VS. De dollardominantie in de wereldhandel loopt gestaag terug en het volume van de wereldhandel krimpt. Een geest van economische strijdbaarheid waart onder de middenmachten. Terwijl zij zich stapsgewijs van de VS afwenden, zetten zij in op bescherming van eigen markt en industrie, op diversifiëring van handelsvaluta en op strategische sturing van private en publieke investeringen. De mondiale welvaart neemt af en een wereld van mercantilistische economisch-financiële samenwerkingsverbanden doemt op.
BRICS+ zet met steun van China de eerste stap met een reeks nieuwe maatregelen die het samenwerkingsverband tot een hechter blok moeten smeden. Met bilaterale valutaswapovereenkomsten kunnen de centrale banken van BRICS+ beter op elkaar inspelen. De lidstaten spreken bovendien af dat er niet in valuta van buiten het verbond zal worden gehandeld met elkaar, om te voorkomen dat de dollar dominant blijft of een andere niet-BRICS+ munt dominant wordt. China wil dat het gemeenschappelijke betalingssysteem BRICS Pay wordt vervangen door het efficiëntere Cross-border Interbank Payment System (CIPS). Beijing opent het systeem enerzijds voor betalingen in de verschillende gangbare valuta binnen BRICS+, en anderzijds voor betalingen in yuan met handelspartners van buiten het verbond, waarvoor de Chinese Centrale Bank zeer gunstige yuan-wisselkoersen biedt aan de eigen leden. Hiermee wordt de yuan langzaam dominant binnen BRICS+. Voor ieder lid lijken de ontwikkelingen in eigen belang en het verbond wordt steeds meer een coherent, slagvaardig handelsblok. China’s financiële dominantie, echter, is reden tot zorg en bedenking bij met name een aantal sterke andere middenmachten.
Met de Europese Unie en, in mindere mate, ASEAN als lichtende voorbeelden wordt in verschillende regio’s daarom werk gemaakt van de oprichting van alternatieve economische én financiële blokken. Naast de al bestaande Eurozone tekenen zich langzaam verschillende financieel-economische zones af. De Afrikaanse Unie weet vergaande economische en financiële integratie tot stand te brengen, waardoor Afrikaanse landen een veel sterkere onderhandelingspositie hebben en betere samenwerkingsvoorwaarden af kunnen dwingen tegenover buitenlandse actoren. In het Midden-Oosten ontstaat een “Dinarzone” onder het bezielende leiderschap van Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten. Qatar, Egypte en Oman sluiten zich aan, na enige aarzeling over de geopolitieke gevolgen die de Saoedisch-Emiratische regionale financiële dominantie met zich mee zal brengen. Het is voor omringende landen een aantrekkelijk model, gestaafd door aanhoudende olievraag en een snelgroeiende (Golfstatelijke) techsector, stabiel (doch autoritair) bestuur en slimme centraal gestuurde investeringen in de toekomst. Steeds meer landen sluiten zich aan in de rij voor toetreding, inclusief Ethiopië en Jordanië. Rusland doet een weinig succesvolle poging om ook een “Roebelzone” van de grond te krijgen. Enkel een klein groepje landen uit de Euraziatische Economische Unie haakt schoorvoetend aan. Wederzijdse handelsbelangen in deze zone zijn echter beperkt. Daarbij maakt het harde interventionistische en enigszins labiele bestuur van Rusland, en zijn gebrek aan innovatievermogen, dit model veel minder aantrekkelijk. De “Roebelzone” wordt daarom goeddeels in stand gehouden met de garantie (en de dreiging) van brute militaire macht. In de Eurozone wordt dan ook steevast gekscherend gesproken over de “troebelzone”.
Vooralsnog worden overlappende lidmaatschappen van verschillende monetaire zones – zoals de VAE in BRICS+ én in de eigen Dinarzone – wederzijds geaccepteerd. Maar naarmate valuta van buiten overlappende zones sterker worden, wordt de monetaire politiek binnen zones moeizamer.
De VS kunnen tegen deze dollar-ondermijnende ontwikkelingen niet effectief optreden. Het land blijkt vastgeroest in unilateraal, dwingend optreden dat tot steeds hevigere en steeds eendrachtigere weerstand leidt bij anderen. Beijing daarentegen laat de vorming van alternatieve blokken niet alleen toe, maar zegt zelfs de keuzes van Rusland, Saoedi-Arabië en anderen “te respecteren”, omdat deze keuzevrijheid “het recht op zelfbeschikking van deze landen onderstreept.” De dieperliggende reden is dat Beijing deze blokken niet als plausibele mondiale concurrenten ziet en toegang tot grondstoffen en halfproducten uit deze blokken wil behouden. Daar komt bovendien bij dat China met tactische financiële, militaire en economische ondersteuning zelf een zeer gerespecteerd ‘grootaandeelhouder’ van de Roebel- en Dinarzone is geworden. Achter de schermen heeft Beijing een grote invloed op het monetaire en economische beleid van deze toch enigszins poreuze concurrerende blokken, mede dankzij China’s snelle opbouw van andere valutareserves via intensieve handel in lokale valuta.
Een veel zorgelijker geval voor Beijing dient zich aan als berichten verschijnen dat India, eveneens nerveus door de toenemende financiële overhand van China binnen BRICS+, aan de onderhandelingstafel zit over toetreding tot ASEAN. Tot dusver was ASEAN – nog veel meer dan de Dinar- en Roebelzone – een blok waar China achter de schermen de touwtjes stevig in handen had, door omvangrijke handelsoverschotten en buitenlandse directe investeringen. Toetreding van multi-aligned India tot ASEAN zou de machtsverhoudingen binnen het blok echter grondig kunnen doen veranderen. Indonesië, Thailand en Maleisië worden door China onder druk gezet om Indiase toetreding af te wijzen met het dreigement van terugtrekking van belangrijke Chinese bedrijven. In reactie maakt India kenbaar dat China voor een keuze staat. Ofwel het zal te maken krijgen met een Indiaas diplomatiek charmeoffensief om ASEAN-leden te verleiden in een nieuw “Roepiblok”, waardoor deze Zuidoost-Aziatische landen Chinese invloed kunnen uitbalanceren. Ofwel het staat toe dat India ook een eerlijk, serieus aandeel in ASEAN krijgt. Na lange onderhandelingen komen China en India tot een overeenkomst over de voorwaarden voor Indiase toetreding tot ASEAN (optie twee), maar de echte winnaars zijn Indonesië, Maleisië, Thailand en Singapore, die hiermee nu binnen ASEAN echt iets te kiezen hebben.
Een “dollarzone” onder aanvoering van de VS krimpt ondertussen gestaag. Steeds meer landen stappen over naar andere blokken – vooral BRICS+ en ASEAN. De pijnlijkste gevallen zijn Turkije, dat zich nu van India mag aansluiten bij BRICS+ als onderdeel van de Indiase-Chinese overeenkomst, en Australië, dat toetreding tot ASEAN heeft aangevraagd in navolging van India. De laatste dollarloyalisten bevinden zich in Noord-Amerika – Canada en Mexico – en in delen van Latijns-Amerika en Afrika. China’s BRICS+ werft echter ook in deze werelddelen steeds meer leden. De trend is helder. Hoe de VS hier nog op kunnen en willen handelen is daarentegen een stuk onzekerder.