De jaren dertig zijn de roaring twenties van de eenentwintigste eeuw. Het commerciële leven floreert. Niet alleen in ontwikkelde economieën in Noord-Amerika en Europa, maar juist ook op de continenten die in opkomst zijn. Statelijke diplomatie verloopt stroef, maar zakelijke belangen en geld fungeren steeds meer als het smeermiddel van de internationale betrekkingen. De VN functioneert redelijk maar het echte dynamisme in de conflictbeslechting zit elders. De afgelopen jaren traden zakenlieden al vaak op als (in)formele onderhandelaars namens grootmachten. Dat model blijkt ook in andere landen aan te slaan. Veel economisch snel ontwikkelende middenmachten zijn van mening dat staten meer als succesvolle bedrijven gerund dienen te worden: transactioneel, op materiële groei gericht, nuchter en out of the box-denkend. Ook ten aanzien van het multilateraal bestel blijkt er ruimte voor creatieve oplossingen vanuit disruptieve private partijen die steeds vaker ook in naam van de overheid mogen spreken.

De logica van het DeepSeek-business­model, waarbij bedrijven wel het geraamte van hun producten via open source publiekelijk beschikbaar maken, maar niet de geheime ingrediënten van hun eigen bijzondere sausje, blijkt toonaangevend. Ook bijvoorbeeld in de waterstof- en batterijproductie, in cyberveiligheid, in de satellietnavigatie en in de game-industrie staan bedrijven op, die hun onderliggende blauwdrukken delen met de wereld. Op deze manier komen allerlei commercieel interessante toepassingen binnen handbereik van velen. Door deze horizontaliserende dynamieken in de commercie krijgen ook bedrijven uit opkomende economieën allerlei kansen aangereikt. Het is booming business en publiek-private partner­schappen creëren een mondiale dynamiek waarin disruptie en dealmaking worden omarmd als essentiële deugden. Opkomende economieën weten zich sneller dan verwacht economisch te ontwikkelen.

Een glansrijk voorbeeld van een land dat deze commerciële horizontalisering uitstekend weet te benutten is Senegal. Deze West-Afrikaanse kustnatie liep in de jaren ’90 en ’00 al voorop in de omarming van de mobiele telefonie. Rond 2030 blijkt Senegals technologische moderniseringsinitiatief “New Deal Technologique” zijn vruchten af te hebben geworpen. Mede dankzij deze digitaliseringsslag weet een inventieve Senegalese startup met behulp van open source-modellen een integrale app voor de berekening van optimale zeehandelsroutes te ontwikkelen. De app communiceert razendsnel met het gedigitaliseerde eTIR-systeem van de VN en combineert deze input vervolgens met een reeks OSINT-bronnen en AI-gedreven voorspellingen, zodat de route kan worden uitgestippeld die efficiëntie maximaliseert en externe risico’s zoals kapingen en stormen minimaliseert. Na een fusie met een soortgelijk opkomend bedrijf in Vietnam groeit dit Senegalese bedrijf, Pirogue genaamd, uit tot een regionale kampioen en een grote multinational.

Opkomende middenmachten zoals Senegal, Vietnam en Chili groeien uit tot inspirerende voorbeelden voor hun regio’s. Zij laten zien hoeveel economisch potentieel ontsloten kan worden met een jonge en inventieve bevolking, redelijk stabiel en voorspelbaar bestuur en een degelijke digitale infrastructuur. Ook beginnen jonge innovatieve bedrijven zich steeds vaker in de geopolitiek te mengen. Juist omdat zij afkomstig zijn uit landen die niet vastzitten in oudere geopolitieke kampen kunnen zij in het bredere buitenland gemakkelijker de weg naar de oren van de macht vinden dan gevestigde (loggere) bedrijven uit Europa, de VS en China. Zo leidt een goed gecoördineerde lobbycampagne van een brede coalitie van Oost-Aziatische bedrijven uiteindelijk tot een privaat-publieke deal met Moskou. De bedrijven krijgen vrijstelling van ijsbrekerheffing op de Noordelijke Zeeroute voor hun containerschepen. In ruil daarvoor adviseren en investeren deze bedrijven, waaronder energie­bedrijven bij de technologische inhaalslag die Rusland wil maken. Een klassieke win-win en een constructieve opstelling van Rusland die in westerse beleidskringen op scepsis en wantrouwen stuit.

Het breed gedeelde optimisme in de startupwereld vertaalt zich slechts zeer gedeeltelijk naar het mult­ilaterale stelsel. De grotere nadruk op financiële en economische belangen wereldwijd maken het makkelijker om door halsstarrige conflictdynamieken heen te breken, hoewel voornamelijk met kortetermijn­oplossingen. Tegelijkertijd zijn de oude vetostructuren in de VN-Veiligheidsraad niet doorbroken. Het gekibbel der vetomachten dreigt vaak het vredesproces te saboteren.

In de multilaterale hervormingstop de Summit of the Future wordt daarom een poging gedaan om een gedurfd hervormingspakket door te voeren, mede geïnspireerd door de geest van innovatie en private ondersteuning die door de wereld waart. De aanbevelingen die uit de top komen rollen, concluderen dat large language models (LLMs) kunnen bijdragen aan de overbrugging van radicale meningsverschillen. In het voorstel gaat een samenwerkingsverband van AI-bedrijven samen een speciaal ontworpen LLM ontwikkelen die bij conflicten in de Veiligheidsraad een eerste schets voor een resolutie schrijft, die vervolgens de basis vormt voor verdere gesprekken. Het voorstel vindt, tot verrassing van velen, een betrekkelijk sympathieke ontvangst bij de betrokkenen. Hierdoor hoeven geen vetorechten worden afgestaan, kunnen nationale AI-kampioenen mooie sier maken en kunnen de vijandige reflexen van diplomatieke tegenstanders deels worden omzeild via een technocratisch tot stand gekomen compromistekst. Open source LLMs blijken goed in staat zulke eerste compromisteksten te formuleren, wat het onderhandelingsproces erna vergemakkelijkt.

Het verrassende succes van dit hervormingsinitiatief leidt tot fundamentele vragen binnen delen van de internationale gemeenschap. Zou conflictbeslechting nog wel voorbehouden moeten zijn aan staten? Zijn publieke actoren nog wel het meest geschikt om de vrede te bewaren? De perceptie heerst dat de institutionele mechanismen van de VN gemaakt zijn om de belangen van (met name opkomende) middenmachten te onderdrukken. Het transactionele universum van de zakenwereld is wellicht hard, maar wel helder. Veel opkomende middenmachten voelen zich hier senang bij. Gesterkt door ideeën zoals deze wint het World Economic Forum (WEF), in Davos, snel aan invloed. Het WEF blijkt een uitstekende plek om dealtjes te maken, geschillen bij te leggen en, in alle rust en beslotenheid, grieven bij de ander op tafel te leggen. Op de gastenlijst staan enkele premiers en ministers – afhankelijk van het specifieke conflict dat de gemoederen wereldwijd bezighoudt – maar daarnaast vooral CEOs, bankiers, juristen, consultants en topwetenschappers. Een groeiend aandeel is afkomstig uit Latijns-Amerika, Afrika, Eurazië en Zuidoost-Azië.

Ondanks de samenstelling van de gastenlijst prijken vanouds “statelijke” belangen steeds vaker op de agenda. Staatshoofden en bestuurders kloppen voor de top aan bij “hun” zakenlieden om zo te proberen hun eigen belangen uit te laten spelen door deze commerciële ambassadeurs. Wat het WEF zo ‘succesvol’ maakt, is echter juist het feit dat de onderhandelaars minder zijn ingekapseld in de (bureaucratische) beleidsreflexen van (archaïsche) overheden. Als afgevaardigden bij het WEF 2039 erin slagen om Maleisië en Indonesië afspraken te laten maken over de demarcatie van hun gemeenschappelijke grens, groeit het wereldwijde vertrouwen in het oplossende vermogen van dit forum alleen nog maar meer.

Landen die conflicten langs de oude rechtsordelijke weg proberen te beslechten zien hun inspanningen steeds opnieuw ingehaald worden door een nieuwe modus operandi van hongerige zakenlieden die via een tweede, semiofficiële track deals smeden waar ze zelf een dikke vinger in de pap aan overhouden. Die privaat-­publieke versmelting gaat steeds verder. In 2040 barsten verwoestende confrontaties los tussen de oprukkende troepen van de Islamitische Staat Mozambique, die al een brede kuststrook onder controle hebben, en de Mozambikaanse regeringstroepen. Het WEF, inmiddels geworden tot een soort private evenknie van de VN, besluit dat de tijd rijp is voor de logische volgende stap. Met overtuigende meerderheid wordt een motie aangenomen voor de oprichting van een eigen vredes­macht, bestaande uit private military companies (PMCs), met het mandaat om de wereldhandel én de bevolking te beschermen tegen jihadistisch geweld. Een vredes­operatie waarmee de internationale norm van Responsibility to Protect (R2P) nieuw leven wordt ingeblazen. “The multilateral system is dead”, kopt de New York Times de volgende dag. “Long live the multinational system.”